Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormen zijn in acht genomen, bepaaldelijk bindt als zijn gebod. Dit was het geval ook met de grondwet van 1814. Zij ging van den Souverein uit. Ware diens macht niet anterieur aan de grondwet geweest, zoo had deze wet zelfs niet tot stand kunnen komen. Souverein was en is Oranje door hetgeen heeft plaats gegrepen in 1813. Die verheffing is in de grondwet bevestigd, welke tevens de grenzen voor het gezag aanwees en de uitoefening dier macht veelszins aan bepaalde vormen bond. Maar den historischen en juridischen grond heeft dit gezag in de opdracht na het ineenstorten der Fransche overheersching. Allerminst wordt daarmee de constitutie gemaakt tot eene genadegift van W i 11 e m I. De Souvereiniteit is hem slechts aangeboden met de stellige bedoeling, dat binnen kort eene grondwet tot stand zoude komen. In de staatsregeling van 1811 voldeed Willem I aan eene, zij het al niet met dwang te handhaven, juridische noodzakelijkheid. En ook het voortbestaan deigrondwet wordt door deze opvatting niet aan 's Vorsten bon plnisir overgelaten. Reeds om den zooeven genoemden grond. Evenmin volgt er uit, dat de Koning alles mag doen, wat hem de grondwet niet ipsis verbis verbiedt. Of is de Souverein dan niet het staatsgezag? Heeft hij dus niet zijne macht alleen om aan zijne verplichting als staatsgezag te voldoen en dus ook slechts voor zooverre die plicht eischt? Metterdaad kost het mij soms moeite te begrijpen, waarom men toch zijne toevlucht neemt tot de naar mijn oordeel gewrongene en met den historischen gang strijdige constructie , dat de Souverein zijne macht zou ontleenen aan datgene wat juist was eene uiting van zijne macht ').

') In een zeer lezenswaardig opstel beschrijft ook de hoogleeraar de Louter (Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal- en Gemeente-bestuur in Nederland, dl. 27, bl 122 en volgg.) den Koningin de monarchie als souverein, drager fan het staatsgezag, en de Volksvertegenwoordiging als het orgaan der geregeerden. Tevens vindt men daar gespreken, bl. 137 noot 1, van „de leer der theocratische school, welke het monarchaal gezag op een zoogenaamd goddelijk recht bouwt en de constitutie slechts als eene genadegift des vorsten aanmerkt."

Sluiten