Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze voorafgaande bespreking was plicht. Ieder toch gevoelt de moeielijke positie, waarin men onzerzijds door de ontvangen uitnoodiging gebracht was.

Roept men u op om tegen schoolverzuim te strijden, wie zou het zich dan geen eere rekenen bondgenoot te worden. Aan de oprechtheid van der heeren Harting betuiging , dat men een schoolverbond bedoelde in volstrekt neutralen zin, werd door niemand getwijfeld. Edoch, had men aan die overtuiging genoeg? Moest niet ieder het hachelijke gevoelen van 4e poging, om in een zoo teedere kwestie, die harten en. hoofden, ja geheel ons volk verdeelt, samen te werken? Lag het niet maar al te zeer voor de hand, dat schoolplichtigheid en bevordering van kosteloos onderwijs, misschien niet aanstonds, misschien niet opzettelijk, maar dan toch van lieverlede, dan toch door den nood gedrongen, als bruikbare wapenen tegen het schoolverzuim zouden worden aangegrepen ? Lag het niet in den aard der zaak, dat de kinderen, voor wien men onderwijs eischte, schier allen onvermogend waren, zoodat, bij onze tegenwoordige wetgeving alleen de staatsschool voor hen zou openstaan? Moest er geen moeielijkheid geboren worden uit de vraag, hoe men onzerzijds op schoolbezoek zou aandringen in gemeenten, waar geen bijzondere school bestond, en de staatsschool in strijd met de wet, als propaganda van wat wij diep betreuren en met geheel ons hart tegenstaan, wordt misbruikt.

Het is zoo, men gaf ons verzekeringen van strikte neutraliteit. Maar gaf die ook de maatschappij van het Nut niet in haar wet ? Is niet geheel onze schoolwet er op aangelegd, om de neutraliteit in haar fijnste keur op alle scholen in ons land te doen heerschen ? En toch wat had het de oude Nutsmannen, wat had het onzen schoolwet-

Sluiten