Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoowel de verloochening van het eigen organisme, als de niet-handhaving van het eigen instituut, verraden nog een weifeling bij de keuze, die in den diepsten grond tusschen «verkiezing" en »humaniteit" aan elk hart gesteld is.

Aan het slot van het 42e hoofdstuk zijner godspraken beschrijft Ezechiel den muur, die gesteld was: »om onderscheid te maken tusschen het heilige en onheilige."

Die muur nu bestaat niet slechts in de erkenning van de szonde", niet slechts in de aanvaarding van het »wonder", maar sluit eerst in de »verkiezing".

Uit de belijdenis dier feiten moet de kerk leven, van die feiten moet ook haar vorm de uitdrukking zijn.

Alle kwestiën, die met het kerkelijk vraagstuk samenhangen, moeten door de aanvaarding of verwerping van déze beginselen beslist worden.

Daarom meende ik, opzettelijk het streven van zoovelen in onze dagen te moeten toetsen, die de moeilijkheid van den toestand zoeken te ontgaan, óf door het beginsel van een eigen leven te loochenen, óf door het noodwendig verband tusschen organisme en instituut te verbreken.

Alles hangt hier aan de juiste onderscheiding: dat in de orthodoxie het eenig ware beginsel ligt, maar dat de rechtzinnigen in den lande krachteloos zijn, zoo ze uit dit beginsel niet leven; terwijl de niet-rechtzinnigen door de beweging van hun leven een onmiskenbare kracht oefenen, maar die toch ten slotte wegvloeit, wijl ze de wortelen van dat leven niet concentreeren in het ware beginsel.

Het ligt in den aard der zaak, dat de beperkte ruimte eener kerkelijke toespraak, de poging zelfs tot volledigheid buitensluit.

Toch meende ik daarom het gesprokene niet onder mij te mogen houden.

Immers, alleen door uitgave dezer toespraken wordt hun, die ik bestreed, de mogelijkheid van critiek geopend.

Amsterdam, K.

10 Aug. 1870.

Sluiten