Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Efeze 3: 17m.

„GEWORTELD EN GEGROND."

Zoo zij dan mijn begin in uw midden, M. H. »in den naam des Yaders en des Zoons en des Heiligen Geestes," en dies, gelijk het betaamt bij zoo heerlijke belijdenis, in stille vrees en nogtans in onwankelbaar vertrouwen. Aanvaardt dan mijn betuiging, dat ik met heel mijn hart tot u kom, gelijk ik met den ernst der oprechtheid mij reeds in ditzelfde bedehuis aan u heb verbonden. Wat ik slechts vraag, het is: Vergt niet, dat ik nu reeds in verheugde stemming die verbinding aan uw gemeente vier. Die verheuging is mij thans nog onmogelijk, nu het vaarwel aan zooveel oude vrienden pas mijne lippen wegstierf. Zoo ik nu reeds juichen kon, immers, óf mijn leedbetuiging ginds, óf mijn vreugdebetoon hier, zou onoprecht moeten wezen, en een hart weinig diepte verraden, waarin smart en vreugd zoo spoedig wisselen kon. En daarom, hoe warm ik u ook dank voor de liefde, waarmee gij mij reeds tegenkwaamt, hoeveel mij in uw gemeente ook aantrekke, laat de eisch van het hart, bid ik u, vooralsnog zijnen vrijen loop hebben, en duldt het, dat ik met bezadigden ernst en kalme nuchterheid mijn bediening in uw midden aanvaard.

Slechts over één ding ontveins ik nu reeds mijn vreugde niet: het is, dat ik in uw midden komend, komen mag, geroepen door u. Dat is mij goed, dat de vrije keuze der gemeente zelve mij de bediening opdroeg, en dus niet in eenig lichaam buiten u, maar in u zelf de grondslag mijner werkzaamheid rust. Wel weet ik, dat ook bij die keuze, niet allen mijn beginsel, — dat ook bij eenheid van beginsel, niet allen mijn persoon begeerd hadden; maar ik weet ook dat dit bij elke keuze onder vrije mannen steeds zoo was. De beteekenis

Sluiten