Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wassen, ik minder worden," dus luidt de ootmoedige betuiging, die het der kerk voegt te brengen aan het maatschappelijk leven. Uit te vloeien in den staat moet toch het doel van het Christendom wezen, en daarom, neemt eens de staat in eigen boezem op, wat eerst de kerk alleen herberg schonk, ,van zelf neemt die kerk dan een eind.

Maar, neen, niet die overgeestelijkheid, die alles vervluchtigt! roept juist de andere stem. Niet een organisme, instelling allereerst, instituut bovenal, moet Jezus kerk ons worden. En daarom Rome's leest weer opgezocht, niet om Rome's misbruik, maar om Rome's kerk terug te roepen. Want van beiden één, óf weer een kerk worde het, niet in de menschheid rustend, maar vast en onbeweeglijk aan de menschheid opgelegd, óf wel, wat ge met den naam van kerk nog bestempelen wildet, is dien heiligen naam onwaard.

Een derde groep eindelijk, even fel gekant tegen geestelijke doorvloeiing, als beducht voor versteening, bezweert ons, dat we de kerk, noch als organisme, noch als instituut zullen prijs geven, maar beiden saam in de vrije kerk vereenigen. De vrije kerk! Vrij, want onbelemmerd moet de stroom van het Christelijk leven golven kunnen, maar nogtans kerk blijve ze, want de stroom smoortin de vlakke velden, zoo ge zijn oevers slecht. »Een vrije kerk," zietdaar wat ons het raadsel op kan lossen, want vrij moeten we zijn, om aan Rome's onbeweeglijkheid, maar kerk niet minder, om aan de verdamping van ons levensvocht door het spiritualisme te ontkomen.

Zal de Schrift ook hier ons ten toetssteen zijn, en bij het keuren dier stemmen leiden, dan schijnt het mij ontwijfelbaar, dat alleen de laatste meening door de Schrift wordt beaamd. Handhaven toch de beide eerste zienswijzen, die ik schetste, de Kerk óf uitsluitend als organisme, óf uitsluitend als instituut, dan pleit ons woord uit den Efezerbrief reeds voldingend tégen beider streven, en dus vóór de vrije kerk, die noch

Sluiten