Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den bouw. Maar loch, dat houten schut is niet de ware omtuining, die saamgesjorde steiger niet de muur van het huis. Want ziet, als dan na lange dagen ook de kroonlijst opgedragen en de gevelspits geankerd is, weg valt dan die steiger, dan wordt die schutting afgebroken, en het kunstig huis, dat onzichtbaar gewrocht werd, schittert in zijn pracht van lijnen en blinkt in vormenschoonheid voor elks oog.

Gij verstondt mij reeds, M. H.! Die steiger is de Kerk op aarde, — als zij gebrekkig, als zij wanstaltig voor het oog. Nog moet ze blijven, want wie kan zonder steiger bouwen. Maar eens, als ook hier de kroonlijst zal zijn aangedragen en de laatste steen is ingevoegd, wèg valt dan ook die steiger, wèg valt dan die Kerk op aarde, en dan blinkt in zijn eeuwige schoonheid die volheerlijke tempel, die zijniet was, maar dien, door haar gedragen, de bouwlieden heeft gebouwd.

II.

Zoo vonden we dan in het Apostolisch woord een scherpgeteekend uitgangspunt M. H., en gij gevoelt: de critiek over de stroomingen in ons kerkelijk leven, het oordeel over onzen kerkstaat is daarmee beslist. Juist door de uiteenwarring van organisme en instituut, en beider onmisbaarheid, vormt zich dat oordeel van zelf.

Valt daarbij mijn oog van zelf het eerst op de moderne strooming, dan vraag ik niet, dat iemand, wijl ik haar bestrijd, mijn moedbetoon love. Dat moedbetoon is volstrekt denkbeeldig op een plaats, waar geen tegenspraak wordt gedoogd. Zoo ik spreek, het is slechts, omdat klaarheid van betrekking onmisbaar is, en zwijgen slechts het misverstand voedt.

De kerk van Christus — dit bleek ons straks duidelijk — leeft uit een eigen organisme en behoeft een eigen instituut, om de zonde. Denk u de zonde weg, en de kerk is ondenkbaar geworden, wijl de wereld zelve dan kerk zou zijn. Bij de vraag of een kerk reden van bestaan heeft, hangt dus alles af van die andere vraag: wat ons van de zonde dunkt?

Sluiten