Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met stil vertrouwen, en volhardende veerkracht door te strijden terwijl het gebed van onze lippen niet wijke: »Heer! Leid Gij mij op dien rotssteen, die te hoog is voor mijn krach t."

Mijn hart en hand zijn u dan aangeboden. Alleen dit bid ik: veigt niet, dat ik mijn hand ooit leene tot een uitwendig bouwen, waarbij het inwendig geworteld zijn door het hart ontbreekt. Bedienaar des woords, heb ik dat Woord u te prediken, alleen daarin ligt mijn kracht. Wat gij mij onlangs toezongt: »Houdt ons niets verholen, wat u werd bevolen, de gemeente hoort," in Gods kracht zal ik het volbrengen, al moest ik u in het geweten striemen, al ging njen om de hardheid mijnej? woorden weg.

Ja, laat mij het ten slotte uitspreken, Gemeente! Wat ik najaag, het is niet maar kerkherstel, wat ik bedoel, het is niet maar strijd met wie mijn streven afkeuren. Neen. Wat mijn ziel begeert, wat ik afbidde van mijn Gcd, het is, dat Hij het mij geve, U een enkele lichtstraal voor het oog te doen blinken van die eeuwigrijke, nooit volprezen ontferming die in Christus Jezus is. Wat mijn ijver verwekt, het is slechts, dat ik het uiterste mijns vingers moge doopen in die Fontein der eeuwige Liefde, om een enkelen druppel uit die koele wateren der genade te leggen op de brandende lippen van uw hart. En zoo ik dan toch óók om kerkherstel vraag, dan toch óók naar het zwaard grijp, — het is alleen, Gemeente! wijl het bij mij vaststaat, dat de dienaar van Christus niet mag toezien, als de toegang tot die wateren des levens aan de gemeente des Heer en wordt versperd.

En zal ik dan nu nog een woord tot hen richten, Gemeente, die met eere in uw midden bekleed zijn,

U zij dan het eerst mijn hulde gebracht, Mijne Heeren, die als Voogden en Verzorgers met het beheer onzer kerke zijt betrouwd. Reeds hoordet Ge, wat in uw verleden mijn be-

Sluiten