Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORREDE.

De uitgave van het hier-volgend stukje vereischt eenige toelichting.

Door den Heer Campagne, te Tiel, aangezocht, om een tweeden afdruk van de gravuren, uit zijn plaatbijbel, met bijschriften te voorzien, sloeg ik dit aanzoek ten stelligste af, zoo hiermee slechts illustratiën der gravuren of stichtelijke bijschriften bedoeld werden. Zulk een werk toch scheen mij op de markt onzer godsdienstige lectuur volstrekt overbodig te zijn, en eer schadelijk dan goed te zullen werken, door bestendiging bij het geloovig publiek van een ongeestelijk-supranaturalistische opvatting der Schrift. Tot aanvaarding der taak verklaarde ik mij alleen dan bereid, zoo de platen tot begeleiders mochten dienen van historische schetsen over den gang van „Gods Openbaring tot redding eener in zonde wegzinkende menschheid." Zoodra de Heer Campagne verklaarde, hierin te kunnen treden, nam ik dan ook de taak op mij, om, zoo de noodige medearbeiders te vinden waren, de uitgave te bezorgen van een veertigtal schetsen onder den titel: „Bijbelalbum, Geschiedenis der Openbaring in Beeld en Schrift." Met duidelijke aanwijzing van de hoofdstrekking, die m. i, dit werk zou moeten hebben, noodigde ik daarop een aantal godgeleerden, wier bijzondere studie niet te ver afweek van den aard dezer uitgave, tot medewerking uit. Bijna aller antwoord was gunstig, en de conditioneele toestemming tot gebruik van hun naam, door sommigen gegeven, scheen mij niet zoo belemmerend, of, met hoop op goed gevolg, zette ik mij tot het schrijven der inleiding, die het standpunt, den aard en het doel dezer uitgave voor het publiek moest verklaren.

Deze taak was niet licht. Gevoelt men, dat de gemeente in onze dagen niet aan zwevende ontwijkingen van wat voor haar een levensvraag is, maar aan een hartsterkend ja of neen omtrent de betrouwbaarheid van haren Bijbel behoefte heeft, dan zal men gereedelijk toegeven, dat de vraag naar de verhouding tusschen Gods Woord en de Schrift, in deze inleiding niet slechts aangestipt, maar met eenige grondigheid behandeld moest worden. Juist hieraan echter kleefde een eigenaardige moeilijkheid; eensdeels, wijl er niet twee godgeleerden in ons land zijn, die hierover tot in elke bijzonderheid een gelijk gevoelen hebben, en anderdeels, wijl men, ook bij eenstemmigheid der gedachten, zoo zelden eensluidend bleek in het woord, waarin men die gedachte uitsprak. Ik deinsde hiervoor echter te minder terug, wijl dit gebrek aan eenparigheid van zelf het recht tot zekere elasticiteit van uitdrukking met zich bracht, en legde na volbrachten arbeid de pen neder in het stil vertrouwen, dat juist het vooropstellen van het geloofselement en het ontwerpen, niet van enkele trekken, maar van een beeld, dat zekere geheelheid vertoonde, aan allen, wier medewerking mij was toegezegd, een goeden bodem zou dunken, om samen op te staan en samen op te werken.

Al spoedig bleek het echter, hoe deerlijk ik mij bedrogen had, Bij tusschen-

Sluiten