Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze kon niet gelooven, dat de vaderen onzer kerk, dat de helden der hervorming, dat de godgeleerden uit den bloeitijd van haar leven zóó argeloos, zóó stompzinnig zouden geweest zijn, om een zoo eenvoudige bedenking, «dat het woord van Satan geen woord Gods is» niet te zien. Kón dit hun helderen geest niet ontgaan zijn, en hadden ze nochtans aan de belijdenis der kerk vast. gehouden, dan kon zulk een tegenwerping ook thans geen oorzaak worden , om voetstoots de oude belijdenis prijs te geven. Het gebezigd argument was te overtuigend om te kunnen overtuigen. En daarom, al was men tot weerspraak onmachtig, men bleef ongeneigd, om öf het wantrouwen in den tegenspreker, öf het vertrouwen in de geloofshelden van het voorgeslacht te laten varen.

Als bij instinct speurde de gemeente dat er vijandschap tegen de Schrift, in die schijnbaar zóó onschuldige wijziging van haar leerstuk school. Er werd zoo telkens bijgezegd, dat men het deed, om de waarde der schrift te verhoogen. En men hoorde ze dit wel zeggen,

maar men voelde het niet. Met juisten tact doorzag

de gemeente zeer wel, dat de aangeprezen onderscheiding een schifting noodzakelijk maakte, waarbij menscholijke wilkeur ten leste beslissen zou. Eerst, ze gevoelde het als bij instinct, zou men nog zeer veel als goddelijk woord laten doorgaan. Slechts wat tastbaar van ongoddelijken oorsprong was, zou zijn goddelijk karakter inboeten: Uit behoefte om te toonen, hoe hoog men Gods woord in eere hield, zou vooreerst als woord Gods gehuldigd blijven, wat ook maar eenigzins, wat ook maar van verre tot den Heer kon worden teruggebracht. Maar allengs zou men scherper toe gaan zien.

Sluiten