Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na de hervorming een zeer grove dwaling zijn ingeslopen , zal de heftige bestrijding van die belijdenis worden verklaard. Zulk een tuchtiging als thans weer over de gemeente ging, en nóg haar in het aangezicht striemt, kan niet anders dan het natuurlijk gevolg van eigen ontrouw zijn. Het kwaad dat over haar komt is uit haar zelve, al is het God die het tegen haar keert. En ook hier is het opsporen van die dwaling niet moeilijk.

Onze hervormers hebben de leer der schrift niet afgehandeld. Met wat reuzenmoed ze zich ook op die ontzachlijke taak geworpen hebben, zij zeiven waren de eerste om te erkennen, dat ze die taak onafgedaan lieten en allerminst, om met a Lasco te spreken, «de ontwikkeling van volgende eeuwen wilden afsnijden, bij het meerder licht, dat het God believen zou, voor volgende geslachten te ontsteken.» Toen zij ten grave waren gedaald begreep men dit nog, en de epigonen van hun geest hebben voortgearbeid in hun spoor, naar hun trant, zij het ook op zekeren afstand, maar toch met iets van den geloofsmoed waarin de kracht onzer Hervormers lag Maar het derde geslacht verflauwde reeds in ijver. Het oude zuurdeesem van Eome begon na te werken. De scholastiek moorde het leven. Te kleingeloovig om in de eeuwige diepte der waarheid zelve in te zien, vermeide men zich liever in wat anderen daarvan beschreven hadden. De rechtzinnigheid hield op levensuiting te zijn. Het geloof stroomde niet meer, maar vroor vast in onbewegelijken vorm. «Beatipossessores!» werd het refrein der gemeente. De goudmijn werd dicht geworpen en aan het uitdelven van nieuwe schatten niet meer gedacht.

Vraagt men, in welken vorm dit kwaad uitkankerde, dan zeggen we liefst, dat men de belijdenis: de schrift is

Sluiten