Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Woord» er nog, maar in 's menschen ziel sprong de snaar, waarop de toonen van dat «Woord» moesten trillen. Hij zag, hij hoorde niet meer, hij nam de levenskrachten van dat «Woord» niet in zich op. Wel bestond het nog, want het bestaat eeuwig, maar het bestond niet meer voor hem. Voor hem was het, alsof God niet meer sprak, niet meer Zijn gedachten, Zijn levensbeweging uit deed stroomen. Voor hem was het als had God zich opgesloten in Zichzelf.

Toen zocht de mensch den verloren God, zocht Hem in zijn hart, in de lichtzee van het firmament, in de krachten der natuur, in de woede der elementen, maar het eenig antwoord dat hij opving was de echo van zijn eigen roepen1: de eenige Godsgestalte die hem verscheen, het schijnbeeld zijner kranke fantasie. Het was de dood die hem omringde , de stilte des doods die van alle zijden uit dat ledig op hem aandrong, en het ingevallen leven dat hij nog in zich bespeurde, voelde hij als wegzuigen in dien eeuwigen dood, die in de diepten zijner ziel zich opende.

O ! dat is het schreiend erbarmelijke van den zondaar buiten God. Met den dood in het hart zoekt hij 't leven — en het is er in zijn volheid , maar hij ziet het niet, en hij kan het niet zien, want de oogen zijn hem uitgegraven.

En daarom, was God slechts blijven spreken, gelijk Hij dusver deed, nooit zou één zondaar het woord des levens vernomen hebben. Maar hierin juist schittert dan ook de grondelooze barmhartigheid des Eeuwigen, dat Hij zijn «Wöord» naar de behoefte van den zondaar vervormd heeft: dat Hij zijn leven in een vorm heeft gegoten , waarin het den zondaar bereiken, hem kon op- •

Sluiten