Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen in 1874 de Pieterskerk te Leiden aan de Christus niet belijdende Leidsche Rijks-universiteit is afgestaan, hebt noch Gij, noeh heeft iemand uwer geestverwanten in den Leidschen Kerkeraad protest doen hooren. Toen is er niet naar sympathie noch naar eenig courant-artikel gevraagd. Waarom nu dan wel?

En eindelijk, wat uw vergelijking aangaat, dat Directeuren deiVrije Universiteit zedelijk verplicht zouden zijn, om c. q. ons Hospitium te weigeren aan wie het vroeg voor een ons vijandig doel,— van deze vergelijking moet Ge, zoo ik wel zie, nu reeds berouw hebben.

Immers, gelijk Gij zeer terecht opmerkt, de Kloosterkerk is van de Haagsche gemeente; maar juist tot die gemeente behooren de Gereformeerden, die de kerk aanvroegen, ook ; zij eer dan iemand ; zij naar recht van eerstgeboorte. Als het zoo stond, dat de H.H. Keuchenius c. s. niet tot de gemeente hadden behoord, dan zou uwe vergelijking zijn opgegaan. Nu daarentegen moet ze vallen, omdat ze thans neêr zou komen op een uitsluiten van de Gereformeerden te 's-Gravenhage buiten de Kerk aldaar; iets wat natuurlijk niet alzoo door U bedoeld is.

PARTIJSCHAP.

Vergun mij in de derde plaats een kort woord over de zoo telkens, en ook nu weêr, door U gewraakte partijschap.

Partijschap is in een wereld, waarin zonde woont, m. i. eene onafwijsbare noodzakelijkheid. Niet alsof elke onderscheidenheid van gevoelen en bestaanswijze op zichzelve reeds zondig ware. Die onderscheidenheid is veeleer onafscheidelijk van ons creatuurlijk bestaan als menschen, en zal even deswege ook in den hemel voortduren. Maar terwijl in de zalige harmonie des hemels elke onderscheidenheid tot haar recht zal komen, en in haar recht zal gelaten worden, en het dus onnoodig zal zijn haar bestaan te verdedigen, is dit ter oorzake van de zonde op aarde niet alzoo.

Onder ons zondaren wordt telkens recht van bestaan betwist, aan wat recht op bestaan heeft; wordt een meerder recht opgeëischt

Sluiten