Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koren," Matth. 20 : 16; „Want het hart dezes volk is dik geworden, en zij hebben met de ooren zwaarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eeniger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en zich bekeeren, en Ik hen geneze," Matth. 13 : 15. In deze plaatsen vinden wij, dat God wil dat sommigen niet behouden worden.

Dus zijn deze plaatsen tegenstrijdig? Geenszins. God wil dat allen zalig worden: 1. in zooverre Hij zich in de zaligheid van allen verheugt. Wel staat er elders Spreuken 1:16, dat Hij blijde is in de straf der goddeloozen, doch niet voorzoover deze pijniging is, maar zoover door haar de gerechtigheid wordt voltrokken. 2. God wil dat allen zalig worden, naardien Hij allen op de een of andere wijze tot bekeering roept en noodigt, doch Hij wil niet dat allen zalig worden, wat betreft de uitwerking der roeping. Hij doet aan allen wel, of zij Hem. immers tasten en vinden mochten. Hand. 17 : 27, allen noodigt Hij, aan allen zegt Hij: Gerechtigdheid en gehoorzaamheid behagen Mij, deze zijt gij allen Mij verschuldigd. Niet tot allen zegt Hij: Ik zal het in u werken; dit spreekt Hij tot de uitverkorenen alleen, en wel omdat van eeuwigheid het Hem zoo heeft behaagd: „Maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden," Rom. 11 : 7.

T e g e n w. 2 : Wie aan evengelijke personen ongelijke dingen geeft, neemt de personen aan. Antw.: Dit kan men onderscheiden opvatten. Wie aan evengelijke personen ongelijke dingen geeft, neemt de personen aan: 1. Indien hij geeft om uitwendige oorzaken, welke

Sluiten