Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joh. 10 : 28. Alle verworpenen en huichelaars zullen ten slotte tot den einde toe wijken en met de gaven, die zij hadden, zullen zij ook die gaven verliezen, welke zij schenen te hebben. „Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet: want indien zij uit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn," 1 Joh. 2 : 19.

Tegenw.: Ook de heiligen; zooals David, Petrus, enz. bezwijken menigmaal. Antw.: Zij bezwijken, doch niet geheellijk, niet ten einde toe; zooals wij ook bij Petrus zien. Want in zijn hart behield hij liefde voor Christus, al verloochende hij Hem uit vrees voor gevaar; daarna erkende hij zijn misdaad en bekeerde hij zich van harte. Daarom zegt Augustinus: „Toen bij Petrus de belijdenis in den mond verstomde, bezweek het geloof nog niet in zijn hart." Ook David is niet geheellijk afgevallen, maar van den Heere door den profeet bestraft, heeft hij zich waarlijk bekeerd en getoond, dat zijn geloof niet uitgebluscht was, maar voor een tijd sluimerde, daarom bidt hij: „En neem uwen H. Geest niet van mij," Ps. 51 : 13. De heiligen en de uitverkorenen vallen dus nimmer geheellijk af. Doch de verworpenen en de huichelaren vallen ten slotte geheellijk af en tot den einde toe, zoodat zij nimmer tot bekeering komen; en omdat de ware liefde tot God nooit in hen geweest is, hebben zij ook nooit onder het getal der uitverkorenen behoord. Geen wonder dan ook, dat zij ten slotte volkomen van de kerk scheiden.

Sluiten