Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de staatsschool hunne kundigheden opdoen; ze zijn uit het zelfde deeg gevormd: vleesch uit vleesch, zondaren uit zondaren.

Yoor den zegen, dien we over eene Christelijke school, dus ook over de onze, mogen verwachten, is, zeiden wij, in de eerste plaats noodig een onderwijzer, die den Heere vreest. Gij zult zeggen: „dat spreekt van zelf; dat behoeft wel geen nadere aanwijzing!" Ik zou 't met u zeggen, M. H.! indien 't een bewezen en vast doorgaande zaak ware, dat elk onderwijzer, die zich aan Christelijk onderwijs wijdt, ook wezenlijk een Christelijk onderwijzer, dat is een Christen is. Maar wij weten 't te goed: ook hier is veel kaf onder het koren; niet alles wat hier als goud blinkt is goud. En nu noem ik 't voor eene Christelijke school wezenlijk een ramp, een bron van velerlei ellende, een bezoeking Gods, een hinderpaal voor allen waren zegen, wanneer aan haar hoofd een man staat, die, hoewel hij den naam heeft dat hij leeft, dood is, en niet uit overtuiging, maar uit bedwang spreekt over het Woord en de werken Gods! Zulk een onderwijs is, naar den mens'ch bezien, middelijkerwijze met onvruchtbaarheid geslagen; 't is ten doode gedoemd! Diep beklagenswaardig de man, die enkel om den broode, of om wat andere lage oorzaak, gedwongen is, om zijns ambtswil, om te spreken over den dienst des Heilands, over de wegen Gods in natuur, geschiedenis en levens-ervaring, over den toestand van het onwedergeborene hart, ook van 't kinderhart, maar zonder dat hij zelf zich zondaar kent voor God, zonder dat hij de wegen van Gods goedertierenheid in zijn eigen leven speurt, zonder dat hij liefde heeft voor dien Zaligmaker, van wien de kinderen in zijne school moeten hooren! En wel te beklagen ook de kinderen, aan zulk een leiding toevertrouwd! Met dank aan God mogen wij 't hier verklaren (en 't verhoogt onzé blijdschap op dezen feestelijken dag!) dat Hij ons in zijne goedertierene leiding een man deed vinden, dien gij hier in uw midden ziet, en van wiens arbeid gij u weldra zult kunnen overtuigen, van wien wij meer dan eens het getuigenis mochten vernemen, dat 't zijn lust is, de vreugde zijns levens en zijn liefste begeerte,

Sluiten