Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JOHANNES.

„Ziet, hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent." Zoo sprak de discipel, die Jezus lief had, en wèl de raensch, die het hem kan nazeggen. Het zegt toch niet weinig een kind van God genaamd te wezen. Toen het eerste menschenpaar volmaakt uit de handen van zijnen Formeerder was voortgekomen , toen wandelde de Almachtige in den hof; toen was de omgang met hen als die van een' Vader met Zijne geliefde kinderen, toen kenden zij Zijne stem aan den wind des daags; toen, — ach! waarom moeten wij het ter neder schrijven? — toen waren zij zonder zonde; die krankte kenden zij niet, en ten gevolge daarvan ook geene andere. Zij wisten niet wat het zeggen wilde: de oogen niet te durven opslaan naar den Hemel. Verre van daar; welkom was hun het suizen van die zachte koelte, want zij wisten het, dan naderde lmn God en hun Vader. Maar, helaas! wij weten het, toen andermaal die stem gehoord werd, die hun zoo menigmaal liefelijk in de ooren geklonken had, maar nu met de ontroerende woorden :

„waar zijt gij?" toen o! wij kunnen het ons verbeelden,

wat er in die beide zielen moet zijn omgegaan. Hoort het slechts in het antwoord, dat de Almachtige tegenklinkt: „IIc ivas naakt en daarom verbergde ik mij}' Zielroerend is'die stem; nooit werd vóór dat oogenblik die klank op dusdanige

Sluiten