Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

87

Niet te vergeefs staat er geschreven: „Beproeft de geesten of zij uit God zijn," want och! er zijn er zoo velen die uit den duivel zijn en schijnen volgelingen van den Heere Jezus ie wezen. Dezulken zijn het, die, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen zouden verleiden.

Maar om terug te komen op de oude vrouw. Zij moest onder het scheuren en schuimbekken van den Satan eindelijk van hare leidslieden verwijderd worden en kwam 1 j natuurlijke menschen inwonen. Maar haar meester, de Sat. n, liet haar geen rust; daardoor werd het lichaam ondermijnd en de pogingen om zelf haar leven te eiudigeu, niet zelden herhaald; nochtans dit mocht niet gebeuren.

Het zwakke lichaam echter kon niet lang die zielepijnen verdragen; het verzwakte langs hoe meer, terwijl de wroegingen vermeerderden. Het onderwerp van hare gesprekken was niets dan duivel en hel en dit nam langs hoe meer in hevigheid toe. „Breng me naar de hel." — „Ik moet naar de hel.'* — Dat waren hare herhaalde ontboezemingen, die eindelijk zoo in hevigheid toenamen, dat haar gegil zeer ver kon gehoord worden. Ten laatste had het zulk eene hoogte bereikt, dat het was, als ware het of de hel was geopend. De dokter kwam nog eens naar den zieke zien, hij konde haar niet helpen, maar sidderde en zeide tot de nabestaanden dat het zoo niet blijven kon. Haar werd nog een laatste geneesmiddel toegereikt en de mond zweeg, eenige stuiptrekkingen toonden nog een poos leven aan, de adem stond stil, het lichaam sliep de ijzeren doodslaap, hare begeerte was vervuld geworden: „zij was naar de hel."

Dit sterfbed zij tot een ernstige les voor allen, die meenen iets van boven te hebben ontvangen, terwijl het echter niet uit God is. Zalig hij, die maar dieper en dieper graven mag in zijn eigen hart en in de tegenwoordigheid van een alles

Sluiten