Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wijze waarop de vraag omtrent het voorstel der synode door het moderamen der vereeniging van moderne predikanten gesteld is , verdient allezins onze aandacht. „Wat hebben de modernen te doen" zoo luidt die vraag, „om de feitelijk bestaande leervrijheid in de Protestantsche kerk te handhaven?"

„Protestantsche kerk" — het moet dus uitgemaakt worden, of er zulk eene Kerk bestaat, of de Kerk der Hervorming iets anders dan positief christelijk wil wezen. Het negatief karakter dat zij aanneemt tegenover de Katholieke kerk, kan zij het ook aannemen tegenover de Apostolische kerk en toch Kerk blijven? Laat ons het maar uitspreken, de groote vraag is „of er eene Kerk bestaat, of de Kerk r e g t geeft op een zelfstandig bestaan ?

Reeds vroeger wezen wij hierop in een stukje over „de zijdelingsche werking van Art. 23", geplaatst in het Jaarboekje voor de Hervormde Kerk in Nederland, 1869. Op blz. 44 zeiden wij daar:

„Staat het Christelijk beginsel, opgevat als openbaringsgeloof , gelijk de moderne rigting beweert, op een lageren trap van ontwikkeling, dan volgt hieruit, dat de Kerk zelve geen regt heeft van bestaan, maar zich moet oplossen in den Staat; heeft de Kerk daarentegen een haar inwonend levensbeginsel, dat haar een eigenaardig karakter geeft — gelijk wij aannemen — een beginsel dat niet slechts in graad maar ook in soort van dat der modernen verschilt, dan heeft die Kerk ook volkomen het regt om haar zelfstandig karakter te bewaren.'

Zoo herhalen wij ook thans: „het betreft hier geene kwestie van inleiding of van uitlegging; indien dit er in het onderhavig geval bij komt is het louter iets toevalligs. De groote vraag is: hebben wij eene Kerk?"

Al ware de echtheid van de woorden der instelling boven iederen twijfel verheven, al ware er geen verschil omtrent de beteekenis van deze woorden, al kwam

Sluiten