Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wrocht de Heer," »dat is door den mensch gevormd." Houdt ge die tegenstelling vast, dan is de mensch volstrekt niets, en wat zou dan het niet vermogen. Ik ken er maar Eén, die dit machtig raderwerk tot aanzijn riep en al zijn veren stuwt en voortdrijft. Het is de Heer! Ook bij die tweede schepping is Hij het, die het doet, en ons als instrument gebruikt, om straks ons in Zijn vrijmacht weg te werpen, zoo we tot Hem niet zijn bekeerd. Wat wij ook streven, het plan waarnaar, de kracht waardoor, de stof waaruit, de grondslag waarop wij bouwen, het is alles Zijns. Wij zeiven die het doen, wat zijn wij anders dan zijn brooze schepselen ? En daarom, ook bij die onderscheiding, is Hij alleen van alles, wat gebouwd of wat gegroeid, van wat gegrond of wat geworteld is, de Oorzaak en de Bron, de Springaar en de Werker. Uit en door en tot Hem is het al!

Zoo er dus geen zonde ware, zou hiermee ook voor de kerk

reeds alles zijn gezegd, zoo althans, wat we ontkennen,

zonder de zonde een Kerk zich 'op aarde denken liet.

Intusschen het feit der zonde ligt daar op onzen weg, de zonde met haar jammerlijken nasleep van zielverderving, vreugdverstoring en vloek voor deez' aard. Zij keerde dit machtig raderwerk in zijn loop, door het uit zijn spil in den Eeuwige te lichten, en mét haar kan van voleinding der krachten voor deze schepping dus geen sprake meer zijn. — Ware zij uitgebleven, Eden zou gebouwd, de schepping zou allengs volmaakt zijn, tot ze eindelijk aan het hemelleven aansloot en in eeuwige heerlijkheid overging. Maar thans niet meer. De levenswortel is geknakt, de grondslag gewrikt uit zijn voegen. Wat ook op dien verkankerden wortel groeie, wat ook op datgescheurde fundament gebouwd worde, het blijft hét merk van zijn oorsprong dragen, en reikt dus aan de hoogte des hemels nooit. Schrijde al de ontwikkeling voort met reuzenschreden, brenge ons elke eeuw eenen nieuwen schat van krachten te voorschijn, die blozende vrucht kan nooit zwellen tot haar volle grootte,

Sluiten