Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar druipt, vroegrijp en innerlijk verkankerd, straks van den stengel neer, na slechts een valschen blos getoond te hebben. Dat is het, dat »déze hemel en déze aarde zullen voorbij gaan." Het verband is onherroepelijk verbroken. Overvloeien in het eeuwig leven kan dit zondig leven niet.

En toch gaat deze schepping niet te loor, — slechts haar bolster wordt eens afgeworpen, en een nieuwe gestalte zal uit haar treden, ontwikkeld uit een levenskiem, die na den zondenval in haar gelegd is. De wereldbrand komt, maar uit dien wereldbrand zal het eêl metaal gered worden, waarin hooger kracht een deel haars levens omzet. En zal dus deze wereld, zelfs in haar stoutste ontwikkeling, nooit aan de hoogte des hemels reiken, toch zal er een heerlijk leven uit haar kiemen, welks zaad uit den hemel nederdaalde, en dat eens met dien hemel samensmelt in smetteloozen glans.

Dat leven, in Christus als menschelijk leven, dus als leven in den hoogsten zin voor deze schepping opgetreden, is uit de genade, en niet uit de verzondigde natuur. Dat leven is het wonder. Het klimt niet uit deze aarde op, maar breekt er in. Het wringt zich in haar voegen, versmelt wat het vindt en zet het om in zijn eigen leven. Yerwant met deze aarde, gelijk ze vóór de zonde was, is het daarom juist in felle weerspraak met die schepping, gelijk ze door de zonde is geworden. Niet in graad slechts, maar in soort, niet in vorm, maar in beginsel — ziet slechts het kruis! — van het zondig leven gescheiden, kan het met dat leven nooit groeien op gelijken wortel, kan het nooit met dat leven op eenzelfde basis worden gebouwd.

Een dubbele strooming gaat thans dus door het rijk deigeesten. Vooreerst, de stroom van het oude leven, die wel zijn golven verder stuwt, maar toch verzanden moet, eer de oceaan is bereikt. En daarin een andere stroom, van Gods heiligen berg neergedruppeld, welks koers zich niet verliest, al schijnt hij zich met die andere wateren te vermengen, en die, straks zijwaarts uitbuigend, zijn bedding naar den oceaan verdiept. Noch het organisme, noch het instituut van dit oude leven kan dus voor dat nieuwe leven gelden. Dat leven vliet

Sluiten