Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om de vrijheid des geloofs in haar loop te doen struikelen. Aan u de keuze, maar dit zeg ik u: uw geloofsschat moet steeds armer worden, zoolang ge het onvrije geld niet haten leert. Ook hier geldt het: Wie behouden wil, verliest. Rijk wordt, wie arm zijn kan. Wie het goud versmaden durft, heeft juist den goudmijn ontdekt.

Eindelijk, vrij moet ze worden van den druk van het ambt, het drukkend overwicht van ééne der bedieningen. Het schoone woord door mijn bevestiger gesproken, »dat de gemeente voor den leeraar niet slechts het witte veld des oogstes is, maar tevens een onafzienbare schare van medepriesters" ontlokte een halleluja aan het diepst mijns harten, en mijn ziel bad om een zegenend Amen, dat uit de krachtige werkzaamheid der gemeente op dat welsprekend woord volgen mocht. Het leeraarambt, gelijk het in den loop dezer eeuw door het nietsdoen der Opzieners en de traagheid der Gemeente geworden was, zou voegen in een kerk, die enkel instituut kon zijn, maar is volstrekt misplaatst in de gemeente des Heeren, die, als levend organisme, zelve tot den altaardienst gewijd is. Wie het ambt draagt, moet in het priesterschap der gemeente wortelen. Zonder die innige verwantschap wordt het ambt heerschappij.

En vraagt ge, hoe dan tot die vrijmaking te komen? M. IJ. de Heer is onze veldheer in den strijd, en de overwinning wenkt ons, zoo we Hem slechts volgen willen. Niet wij, Hij schept de gelegenheid, Hij baant de wegen, van Hem zijn de bereide kansen. Wie daar geen ruste in vindt, die strijdt niet voor den Heer.

Dringen wij maar door en verder op elk terrein, dat ons door Hem geopend is, in elke veste, waartoe Hij ons den toegang ontsloot. De valsche band van het ongereformeerde kerkbestuur zal eindelijk springen, zoo wij de leus maar moedig opnemen, die in de autonomie, d. w. z. het «zelfbeheer en zelfbestuur der gemeente" ligt. Dat is ónze kerkvorm.

Sluiten