Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alsof zij die schaduw herkende, en zelfs voordat Gilles nog wist, wie hij was, die zich daar buiten bevond, schreide de moeder op den schouder van haar zoon.

„Mijn eigen jongen! mijn verloren kind! God zij geloofd voor hetgeen zijne hand heeft gedaan."

Het was inderdaad Euben, die in de stilte van den nacht onder het ouderlijk dak was wedergekeerd. Terwijl moedertranen op zijn krullend haar vielen en vaders hand de zijne drukte, kon hij ter nauwernood het lang bedacht: „Kunt gij mij vergeven, vader?" uitbrengen.

De jongen werd binnengeleid, de deur gesloten en de ouders keerden terug naar de achterkamer, hunne oogen en ooren bijna niet geloovende. De kleinen sliepen in de kamer boven, niet wetende van de vreugde, die thans het huis was binnengetreden. Euben was altijd oud voor zijne jaren geweest, maar hij was langer en dunner geworden en had de onverschillige en trotsche houding verloten, die hem als knaap had gekenmerkt. Zijne kleeding was die van een matroos, en zijn gelaat, verbrand door de zon, had een uitdrukking van ernst en droefheid, die den berouwhebbenden teruggekeerden zondaar kenmerkt. Vele waren de vragen, die elkander opvolgden beiderzijds, voordat de eerste nog beantwoord was geworden. Wij zullen trachten het verhaal van Euben in zijne woorden, maar meer aaneengeschakeld te geven, dan dit nu van zijne lippen kwam.

„Ik verdien deze ontvangst niet," zeide hij. „Het is nu meer dan acht maanden geleden sedert ik met Thomas Clark wegliep. Wij kwamen aan boord van de Zeemeeuw, die naar Australië zeilde; hij als matroos, ik als scheepsjongen. Wij hadden besloten om met werken onze passage te-betalen, naar de Goudrivier te gaan, en ons fortuin te maken. Het zeeleven was echter niet wat ik verwacht had. Hard werk, ruw weder, schoppen en vloeken, dit alles deed mij soms wenschen weder in Engeland te zijn, bij een meester hoe streng ook, ja, al was het in

Sluiten