Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwaad meer, vriend, en staat ge op uw ééntje' ! toen antwoordde Rosaeus : „Keen, Heer Pensionaris, ik sta niet alleen, ik sta met God den Heere en met al de duizenden vromen van zijn lieve volk, die nog in dit goede land zijn".

Voor de goed-gereformeerden was dit het sein om op zichzelf te gaan staan. In hun Gideon was hun religie verworpen. En zoo wilden ze dan nu in hun eigen kring bidden, en liepen daartoe eerst naar Rijswijk, maar vroegen, toen dit te moeilijk wierd, ten leste, om een kerk in de stad. De Kerkeraad, zoo baden de gereformeerden niet nu, maar in 1617, mocht hun toch een kerkgebouw afstaan, opdat ze daar den Heere hun God aanroepen mochten in den gebede. Want wel hadden sommige zwakken onder hen, geroepen : „Een schuur of stal is ook goed"!, en had Maurits hun zijn stal reeds aangeboden, maar deze Prins van Oranje hield toch staande : „Wat zouden wij in schuren en stallen bidden, de kerken komen ons toe, en vroeg of laat zullen we ze toch hebben '. „Zelfs de Kloosterkerk was nog te min", riep Oranje, „de Gvoote kerk moesten we hebben"! En zoo kwam dan deze zake, zelfs door Maurits1 machtigen naam gesteund, in den toenmaligeu kerkeraad; en zie, toen besloot deze op het verzoek der gereformeerden „om de Kloosterkerk te mogen gebruiken, opdat ze daar bidden zouden", „by meerdere stemmen, dien voorslach (sooveel hun aenginck) niet in te willichen."

Deze weigering bracht geweldige sensatie teweeg, zoo in de residentie als in den lande. Zoo sterk, dat de toenmalige irenische predikanten het geraden achtten zich te verdedigen. Ten welken einde hun zegsman opzettelijk uitsprak: „dat men wel wist dat hij in regard van deze sake gaarne zijn predikbeurte en zijn kansel aan een gereformeerd leeraar zou afstaan, maar dat het hier een ander oogmerk gold". En alsnu komende tot de eigenlijke reden, die den kerkeraad tot weigeren genoopt had, betuigt Uytenbogaert, „dat ze den voorslach wel hadden moeien verwerpen, als uyt de welcke apparentlijck formeele scheuringe soude volgen in de Kerke, en mitsdien factie in den Staat, 'twelck mettertijd sware inconvenienten kon baren." En daar zat het nu in. De gereformeerden, zoo oordeelde men, brachten de kerkelijke gemeenschap in gevaar. Dies schold men ze „scheurmakers", „schismatycken", „Ryswykloopers", en hun samenkomst noemde men laatdunkend, „de scheurkerk", waarvan Groen van Prinsterer, toen Prins

Sluiten