Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nauwlijks meêtellend; en de eisch, die ons gesteld wordt, is zoo ongelooflijk hoog; en zoo telkens is het, alsof de rivieren om ons uitdrogen en de eens zoo frissche watertochten geworden zijn tot een dorre woesternij. En tot wien anders zou dan onze Toevlucht, van wien anders onze verwachting zijn, en in wien anders onze hulpe staan, dan in Hem, wiens ook de geest der Wijsheid en der Kennisse is, en die immers alleen machtig is, om ons weer Mannen, en in die mannen weer te verwekken kracht van Genie en van Talent ?

Behoefte aan gebed, niet minder ook hierom, wijl we o, zoo vastelijk weten, hoe de felle tegenstand, die ons aangrijnst, neen, waarlijk niet uit menschenharten, maar, doör het menschenhart heen, uit dien wederpartijder Christi, uit Satan en zijn satanische trawanten, komt; en hoe die Benijder van Immanuels eere, ons niet alleen door gebrek aan wetenschappelijke kracht benauwt, maar, veel erger nog, telkens het geloof in onze eigene zielen aanrandt; bij nacht een zaad van tweedracht in onzen kleinen kring uitstrooit; onheilige vonken aanblaast, die onder de assche smeulden; en tot in het corps onzer kweekelingen met zijn verdervende invloeden insluipt.

En dan ten slotte Behoefte aan gebed ook om „(Ie vermenging door menschelijk zaad" waardoor we zeiven gedurig zoo bangelijk gebonden worden. Als na felle worsteling een machtige levensgisting haar einde vond, o, dan houdt natuurlijk die vermenging door het menschelijk zaad op. Met Israël huwen we niet meer, en evenmin vraagt ge de dochteren van Rome voor uw zonen. Maar zoover zijn we in dezen nieuw opgekomen strijd nog niet. Hier liggen de draden des levens nog dooreengevlochten. Die ge heden bestrijden moet, stonden gisteren nog naast u in band van familiegemeenschap. De strijd gaat midden door een geslacht; deelt een lief vereend gezin onherroepelijk in tweeën; en dat kennen van elkaar en vroeger bij elkaar gehoord hebben, leent dan aan den strijd, dien ge te voeren hebt, zulk een tragisch, zulk een pijnlijk, zulk een vaak kwetsend karakter, o, Om hoeveel liefs zoudt ge aan die zelfde mannen, tegen wie ge nu het zwaard trekt, niet den truffel reiken, om saam met hen te bouwen? Wat beleediging niet van den band des bloeds en der oude vriendschap, wat sroarte en wat wonde niet telkens voor uw naar sympathie dorstend hart, als ge keer op keer den u toegeworpen handschoen op moet nemen, waar ge zoo duizendmaal liever de hand zelf gegrepen en in hartelijke trouwe gedrukt had! Vergeet het toch

Sluiten