Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen, waai' krankzinnigen verpleegd worden; gij ziet er arme ongelukkigen, die wanen dat zij rijk, edel, magtig zijn; die eenige stroohalmen, waarmede zij hun voorhoofd omkransen, een diadeem noemen, en in gewone keisteentjes paarlen en diamanten meenen te zien. Zij zingen, zij lachen, in hunne begoocheling!— Is dat nu geluk? Helaas, neen! het is waanzin. En toch, het is een maar al te getrouw beeld van dien vrede, die gebouwd is op eigene inbeelding, doch niet op de regtvaardiging. Het is een hersenschim; eene doode plant die wortel noch leven heeft.

Bedenk derhalve wèl, dat er geen vrede met God kan zijn. zoo wij ons niet geregtvaardigd gevoelen. Wij moeten weten waar onze zonden gebleven zijn, om eene redelijke hoop te kunnen koesteren, dat zij ons zijn kwijtgescholden. Ons geweten moet ons getuigenis geven, dat wij niet meer schuldig gehouden worden voor God. Zonder dit, is het te vergeefs of men ons van vrede spreke; wij zullen er niet meer dan eene valsche nabootsing van bezitten. »De goddeloozen hebben geenen vrede, zegt mijn God." Jes. LYH: 21.

Sluiten