Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dingen veroorloofde of dingen licht achtte, met het Christendom onvereenigbaar".

„Op mijn verzoek verleende hij in 1852, of daaromtrent, logies aan een der eerste Gosznersche Zendelingen, August Mühlnickel, een ernstig Christen, die spoedig met hem in strijd geraakte. Van de zijde van Anthing hevige strijd over de waarheid. Mühlnickel was van mijne meening en gevoelde destijds evenmin als ik geestelijke overeenstemming met Anthing. Toen hij na vier weken vertrok, gaf Anthing hem al de meubels van zijne logeerkamer ten geschenke".

„Mildheid en hulpvaardigheid stonden vooraan onder Anthings deugden", merkt de schrijver van „De Zendingseeuw" op. Dat bleek ook hier wel sterk!

„Van dien tijd af" (gaat Esser voort) „begon zijne belangstelling in de Zending. Hij werd lid van het Bestuur der Afdeeling van het Ned. Zend.-genootschap, later lid van het Opperkerkbestuur, deed zeer actief mede aan de opbouwing der Gereformeerde Kerken in Indië".

Aan wat Esser daar verder aan toevoegt over de „onzinnige gouvernementsschepping, die thans protestantsche kerken heet", gaan we stil voorbij ....

Als om zijn vriend Anthing te verontschuldigen, dat deze aan die „kerkmakerij" meedeed, zegt hij dan verder : „Maar Anthing was Luthersch opgevoed en in de staatkunde liberaal. Dit verklaarde hij mij meermalen, wanneer ik hem wees op het minstens vreemde dezer dingen.

„Philosoof en Theosoof van aanleg, las hij gaarne al wat schijnbaar diepe gedachten aanbood. Ook Swedenborgs werken, hoe zeer ik hem ook waarschuwde.

„Als man van een edel en ruim hart deed hij intusschen voor Zendelingen en voor de Zending wat hij kon. Met het Rotterdamsch Genootschap niet kunnende meegaan, sloot hij zich aan bij het Genootschap van In- en Uitwendige Zending.

Sluiten