Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

„Driftig van aard, geraakte hij in menigen strijd met broederen".

Zoo vertelde men aan schrijver dezes (en dat sluit wel aan bij wat de Heer Esser hier zegt), dat hij eens in hevig dispuut geraakte met een zijner medearbeiders in het „Genootschap", den Oud-Resident Keuchenius, met wien hij samen naar huis reed van een vergadering van het Genootschap. Anthing wond zich toen zóó op, dat hij Keuchenius toevoegde: „Wat let me, dat ik je m'n wagen uitgooi!"

Zoo ver kwam het natuurlijk niet en de vrienden zullen wel weer in vrede uiteen zijn gegaan. Maar het teekent het opbruisende in Anthings natuur, in den man met het overigens zoo goede hart.

„Vele bladzijden" (vervolgt Esser) „zou ik behoeven, om alles te vermelden, wat door hem gedaan is . . . bij het Kerkbestuur en het Gouvernement, in het belang van Zendelingen en de rechten der Inlandsche Christenen; totdat hij zelf het Woord ging verkondigen aan Inlanders en Inlandsche helpers hielp vormen.

„Hij had een eigen school, met Inlandsche onderwijzers en stichtte gemeenten (van Inlandsche Christenen) in den omtrek van Batavia, Buitenzorg, Tangerang en Krawang, zoover mij bekend minstens 10 gemeenten.

„Al zijn tijd, al zijn krachten en zijn geheele vermogen, naar ik meen van f 60.000.—, offerde hij voor Gods Rijk, misschien niet altijd even bedachtzaam.

„Hij stierf doodarm; eenige boeken en een paar centen waren zijn nalatenschap. Van hem kan gezegd worden: Hij gaf al wat hij bezat".

De Heer Esser heeft door het hier meegedeelde zeker een belangrijke bijdrage geleverd voor de beoordeeling van Mr Anthings persoon en werk.

Drieërlei wordt door Esser genoemd: Anthings persoonlijke

Sluiten