Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zendeling Albers vond echter de Christengemeenten bij zijn eerste bezoek nog al achterlijk in ontwikkeling en de Voorgangers voor het meerendeel niet beantwoordende aan de eischen, die aan Inlandsche Voorgangers en Onderwijzers dienen te worden gesteld.

In een nader rapport aan het Bestuur der N. Z. V. komt de verzuchting voor, dat het bezoeken der verschillende, wijd en zijd verspreid liggende gemeenten veel inspanning en zorg kostte en dat bij de overname van Anthings werk niet te overzien was, wat het in zou hebben, alles te regelen; zoodat de zendeling soms schier wanhopig te moede was, hoe het tot een goed einde te brengen.

Aan den anderen kant echter waren toch hier en daar te veel kiemen van het Zaad des Woords aanwezig om er de hand aan te onttrekken. Van sommige gemeenten kon in een later rapport zelfs een goed getuigenis gegeven worden. Er was dus licht en donker, maar per slot van rekening had het licht toch de overhand.

De N. Z. V. was, toen Anthing stierf, reeds een twintig jaren werkzaam in West-Java, doch hoe weinig was er nog bereikt! Althans onder de Mohammedaansche bevolking. Onder de Chineezen (de heidenen) had men hier en daar wèl ingang gevonden.

Nu is het onder de Islamieten altijd en overal moeilijk gebleken om ingang te vinden en in West-Java bleek dat dus ook. Nóch door rechtstreeksche evangelisatie, nóch door het oprichten van scholen, noch door ziekenbehandeling mocht het gelukken. Het was teleurstelling op teleurstelling. Om er mismoedig onder te worden. In het jaar 1876 kwam dan ook het Bestuur van de N. Z. V. bijeen, onder den indruk van den tegenslag, om te beraadslagen over het al of niet voortzetten van de Zending in West-Java en in 1879 werd door een van de Zendelingen reeds de gedachte geopperd om een

Sluiten