is toegevoegd aan uw favorieten.

Rede, gehouden bij de herdenking van het honderd-jarig bestaan der Algemeene Doopsgezinde Sociëteit op 28 September 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieder van ons kent wel personen, aan wie hij zich wel verplicht gevoelt of wier goedheid hem eens weldadig heeft aangedaan, maar die nu zelden meer in zijn gezichtskring treden. Doch wanneer dit wèl geschiedt bij eene of andere aanleiding: dan grijpen wij deze gaarne aan om voor ons zeiven of tegenover hen uit te spreken wat hun nog steeds aanspraak geeft op onzen dank of hoe zij toen onze liefde hebben gewekt. Niet anders gaat het ons tegenover instellingen. Het ware wel ondankbaar, indien wij op dezen dag ons niet gaarne voor oogen stelden wat de Sociëteit al goeds heeft bezeten en goeds heeft verricht. De heugenis daarvan voor u op te halen: ziedaar thans mijne taak.

Midden in den Franschen tijd is zij tot stand gekomen. Weinige maanden nadat de tiërceering ons volk en met name tal van godsdienstige instellingen zwaar had getroffen; ook de meeste van onze gemeenten, die bovendien al sedert lang voortdurend achteruitgingen. Ons zielencijfer, in 1700 nog 160.000, was in 1809 tot 27.000 gedaald. En al was het ook waarlijk geen tijd van ongodsdienstigheid, integendeel, woningen en levens en harten gaven wel anders te zien: toch heerschte wel velerwege rustigheid in het godsdienstige tot matheid toe en samenhang tusschen de gemeenten uit de verschillende gewesten was er weinig. Aan den anderen kant was de gehechtheid aan ons godsdienstig verleden niet overal uitgedoofd en leefde bij velen wel geloof aan eene toekomst, die de broederschap nog mocht wachten, 't Bleek, zoodra dreigend gevaar opriep om te haren bate de hand aan het werk te slaan. Gij weet, wat geschied is. De Amsterdamsche gemeente, die door de reductie der rente niet minder dan ƒ 34.000 inkomsten had verloren, stelde aan de andere gemeenten voor, het Seminarie, sedert 1735 door haar alleen bekostigd, te maken tot eene gezamen lijke instelling van alle of althans van de aanzienlijkste. Reeds had zij hare ondersteuningen tot dusver aan vele zwakke zustergemeenten verleend, moeten staken, ten gevolge waarvan deze nu gevaar liepen te vervallen. Maar