Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men ook geen bezwaar er tegen hebben te zeggen, dat God, hoewel slechts in betrekking tot de verlossing, „der Urhéber der Sünde", de auteur der zonde is (§ 80). Volgens Schleiermacher is dan ook „het menschelijk-booze overal alleen aan het goede en de zonde slechts aan de genade". De zonde wordt op deze wijze de keerzijde der genade. Wat de Christologie betreft, Schleiermacher geeft de godheid van Christus blijkbaar prijs, al behoudt hij den naam. Christus is namelijk de volmaakte mensch, in Wien het Godsbewustzijn volkomen klaar en helder was, daarom niet slechts „Vorbild" (zooals bij de rationalisten), maar „Urbild" der menschheid (§ 93). De „Selbstverkiindigung Christi" is daarom eigenlijk de voornaamste kenbron der dogmatiek1). Door zijn volmaakt Godsbewustzijn bracht Hij de verlossing of het leven aan. Hier is het historische uitgangspunt gegeven en daarin ligt dan ook bij Schleiermacher een correctie voor een al te magere en onvruchtbare opvatting van het ervaringsbeginsel. Vandaar ook na hem de menigvuldige discussies tot op onzen tijd toe over het wezen van het Christendom (cf. § 11—14), waarbij elke „school" langs historisch-critischen weg haar eigen „Christus" pleegt te teekenen. Die in Christus gegeven verlossing nu (van verzoening en rechtvaardigmaking is hierbij natuurlijk geen sprake, alleen maar van leven en heiligmaking) wordt in de Kerk voortgezet door middel van Woord en sacrament (vandaar het „kerkelijke" in Schleiermacher's theologie) en door den H. Geest, d. i. wat Schleiermacher noemt den „Gememgeist der Kirche". Vandaar dan ook dat de oorspronkelijke getuigenissen der Kerk, zelfs de klassieke in de H. Schrift, altijd nog weer ten

x) De la Saussaye Sr. bedoelde blijkbaar iets dergelijks, toen hij schreef: „Noodig is een theologie, gebouwd op de Christologie, vooral de inwendige geschiedenis des Heeren". Zie Dr. A. M. Brouwer: Dan. Ch. de la Saussaye, 1905, blz. 273.

Sluiten