is toegevoegd aan uw favorieten.

De wortel des kwaads ligt, ook voor een betere wijze van bedeeling, hierin dat onze kerk als kerk den naam des Heeren Jezus Christus niet belijdt

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en met reden, van zijn standpunt uit, begreep Keizer Valenanus ook hen onder de gewichtigste steunsels der Kerk, toen hij (258 n. Chr.) zijn edict afkondigde dat, bij de vervolging waarmeè hij de Christenen hoopte weg te vagen, allereerst de bisschoppen, presbyters en diakenen met het zwaard moesten worden gedood.

Ik riep de geschiedenis op tot getuige voor de waarheid die ik verdedig; en zij leverde ruimschoots bewijzen. Maar ik geloot dat zij ook in de toekomst die bewijzen zal aanbrengen. En hier kom ik terug op wat ik in het begin van mijn eerste hoofdstuk schreef (bl. 4) dat ik, hoezeer het individuahsme zondig noemende, toch niet Ulieden beschuldig als waren wij, uwe tegenstanders, rein; maar dat ik ons samen, Ulieden en ons, als leden der kerk voor veroordeeld houden moet.

Tegen den aard der kerk kant zich ongetwijfeld het weigeren om »de belijdenis allereerst tot haar recht te doen komen waar de armenzorg dringend verbetering behoeft." Dit woord «allereerst" laat vriendelijk de mogelijkheid over dat men later, als eerst de dringende behoefte der armen vervuld zal zijn, aan de belijdenis zal willen denken. Maar belijden d. i. gelooven (Rom. 40, 9) mag niet in de tweede plaats behartigd worden. Is de' belijdenis der kerk als kerk waar, d. i. belijdt zij Jezus Christus, dan is het goed. Belijdt zij Hem niet (gelijk zij het thans niet doet) dan is het allerhoogste, het éénig hoogste belang (bl. 9) geschonden; dus niets mag hier er aan vóórgaan, hier moet niet in de tweede plaats, maar terstond verbeterd worden; kan het niet geheel, dan althans bij begin van protest en teweerstelling. Zelfs zij die niet, als Gij en wij, God, Christus als den Hoogste erkennen, kunnen dit inzien. Ernstig de vraag te stellen: wat moet eerst komen, betere bedeeling der armen, of belijdenis? die vraag ernstig testellen, zoodat men inderdaad omtrent het antwoord onzeker is, dat is reeds beleediging van God. Want ik stel daarbij als onzeker, als een vraagpunt, of ik God wel allereerst door belijdenis huldigen zal, of niet; ik sta op een onzijdig standpunt, afwachtende of de balans, naar de uitkomst mijner overweging, naar rechts of naar links zal omslaan. En het ligt in het begrip van God, van Christus, de eerste, volstrekt onbetwist de eerste te zijn. Wie niet met mij is, zegt Hij (Matth. 42, 30) die kan niet onzijdig, niet afwachtende zijn of hij mij al'of niet zal erkennen, maar die is tegen mij. In kwestie te