is toegevoegd aan uw favorieten.

De blijvende Heer daarboven (naar aanleiding van Romeinen 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo is daar dus eene heilige Gemeente, die hare „heilige dingen" heeft, die zij als zóódanig heeft te kennen en aan te zien. En

nochthans gewaagt onze tekst van de ongerechtigheid. van al

dat heilige!

Ach, reeds in Israël stierf de kreet nimmer weg: „om Uws naams wille, Heere, zoo vergeef mijne ongerechtigheid, want die is groot." „Wasch mij wel van mijne ongerechtigheid, en reinig mij van mijne zonde." Daar was, ook bij en ondanks allen offerdienst, terwijl het bloed van varren en bokken bij beken stroomde, bij de besten des volks, bij de ware kinderen Gods, een levendig besef van de onvoldoendheid dezer ordeningen. Heilig moest het volk Israël wezen — en ach! hoe owheilig was het steeds! Hoe is zijne gansche geschiedenis ééne onafgebroken rij van rebelleeringen en wederspannigheden, één voortgezette afval van den God des verbonds! Heilig moesten de priesteren zijn — maar ach! hoe owheilig waren zij vaak! Reeds Aaron, weldra tot eersten hoogepriester geroepen, toont in de geschiedenis van het gouden kalf, en daar niet alléén, hoe hij in zichzelven niets dan een zwak, onrein menschenkind is. De zonen van Eli maken het priesterschap tot eene aanfluiting, bedienaars van Jehovahs altaren begeven zich tot afgoderij en valschen godsdienst, ja een Jesaja moet van de priesters zijner dagen jammeren: „zij dwalen van den sterken drank, zij zijn verslonden van den wijn, zij dwalen in het gezicht, zij waggelen in het gericht." Ach, van dat Sion hetwelk zich de Heere tot een eigendom verkoren had , tot eene plaatse om daar eeuwig te wonen, moet Micha getuigen: „hare hoofden rechten om geschenken, en hare priesters leeren om loon," en Zefanja roept een wee uit over Jeruzalem „de ijselijke, de bevlekte, de verdrukkende stad", wier profeten „lichtvaardig zijn, gansch trouwelöoze mannen; hare priesters verontreinigen het heilige, zij doen der Wet geweld aan."

En zelfs de hoogepriester — wat was hij in zichzelven anders dan een arme, machtelooze zondaar? Moest niet ook hij, als hij op den Grooten Verzoendag zich opmaakte tot zijne heilige taak, eerst voor zichzelven een zondoffer brengen, en daarna voor het volk? Moest hij zijne „gouden kleederen" dan niet afleggen, opdat alle pracht en sierlijkheid hem zou ontbreken? Moest hij niet, eer hij in het heilige der heiligen binnentrad, een wolk van reukwerk doen opstijgen, opdat hij niet stierve door de tegenwoordigheid van Israëls Koning?