is toegevoegd aan uw favorieten.

Het huis-je aan de bos-rand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Het klei-ne huis-je.

'tls maar klein, 't is maar een héél klein huis-je. Maar 'tziet er toch o zo net-jes uit. En in (lat huis-je wo nen een Va-der en een Moe-der met vijf kin-de-ren.

Va-der zegt al-tijd: „Ik heb straks vijf gro te knechten die me goed kun-nen hei-pen. Ik ben trots opi mijn jon-gens".

Dirk is tien jaar. Jaap is acht jaar. Toni is pas ze-ven, en dan zijn er ook nog twee leu ke klei-ne kë-relJ tjes. Dat zijn twee-lin-gen. Al-le-bei e-ven oud, en vaak al-le-bei e-ven stout! Dat zijn Ger-rit en Gert Jan. Die zijn bei-den nog maar net drie jaar oud!. Die kun-nen toch al al-leen bui-ten spe len als de an-de-re broers naar school zijn. Va-der heeft daar wel voor ge-zorgd. Er is een gro-te zand-bak achter het schuur-tje, en langs de die-pe sloot heeft Va-der gaas ge-span-nen.

Nu hoeft Moe-der niet bang te zijn, dat ze in dief sloot zul-len lopen.

Dat klei-ne huis-je is toch wel een leuk huis-je. Het staat mid-den tus-sen de bloe men, en daar-ach-ter is een gro-te groen-te-tuin.

Va-der is groen-te-boer, en gaat el-ke dag met zijn groen-te-kar naar de stad. Ru-na, de klei-ne pon-ny7 moet dan 's mor gens wel een aar-dig vracht-je trekken, maar 'smid-dags is de kar meest-al leeg.