is toegevoegd aan je favorieten.

Het huis-je aan de bos-rand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Va-der zegt al-tijd: „We wonen hier wel een beet-je een-zaam, maar ik zou mijn huis-je toch niet willen rui len voor het groot-ste huis in de stad." En Moe-der zegt: „0 nee! nee! Ik hou van vrij en.) blij, en je hebt hier van nie mand last. We wo-netn heel dicht bij de stad en toch zo vrij als een vo-gel. Ze zul-len ons hier niet zo gauw kun-nen vin-den."

Ja, dat klei ne huis-je is toch wel een aar-dig wonink-je. 'tls van bin-'nen heel erg leuk. Er is een gro-te ka mer, en daar in zijn twee gro te bed-ste-den. Bo-ven op 'het zol-der-tje heeft Va-der een ka-mer-tje ge-tim-'merd. Daar staan twee ij-ze-ren le-di-kan-ten op, waar Dirk en Jaap en Tom op sla-pen. Dan isi er ook zo'n leuk raam pje in, en als je daar dooq heen kijkt, kun je zo lieel ver zien. Dan kun je heel in de ver-te de au to's zien, die langs de druk-kei weg rij den, en aan de an-de-re kant zie je bo men, niets dan bo men.

Want im mers, liet huis-je staat aan de rand van het den-ne-bos. Heer-lijlc is het daar, voor-al in de zo mer. Dan kun-nen de jon-gens er al-ler-lei spelle-tjes doen, en ver-veelt het hun nooit. Maar Geirrit en Gert Jan mo gen daar nog niet al-leen spe len. Dan zegt Moe-der altijd: „Jul-lie ver-dwa-len daar, jul lie moet heel dicht bij huis blij ven."

Nu is het mid-dag. De jon-gens zijn al weer naar school, en Moe-der zit op de bank, kou sen te stoppen.

Zou 'Va-der nog niet ko-men? De kar blijft lang weg van-daag. Jam-nier, want Va-der heeft het nog zo druk! Er moet nog zo-veel in de tuin ge-beu-ren.