Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

i.

Wanneer in het jaar 64 n. Chr. een groot deel van Rome is afgebrand en het gerucht Nero er van beschuldigt den brand te hebben bevolen, zoekt de keizer, om de lasterpraatjes te doen ophouden, de schuld te werpen op de Christenen. „Ergo abolendo rumori", zegt Tacitus (Ann. XV, 44), „Nero subdidit reos et quaesitissimis poenis affecit, quos per flagitia invisos vulgus Christianos appellabat. Auctor nominis eius Christus Tiberio imperitante per procuratorem Pontium Pilatum supplicio affectus erat; repressaque in praesens exitiabilis superstitio rursum erumpebat, non modo per Iudaeam, originem eius mali, sed per urbem etiam, quo cuncta undique atrocia aut pudenda confluunt celebranturque." Dit is de eerste maal, dat in de Romeinsche literatuur melding gemaakt wordt van het Christendom. En tevens is hier sprake van de eerste Christenvervolging. Want Tacitus verhaalt verder op hoe wreede wijze tal van Christenen door Nero ter dood gebracht werden, zij het dan niet om hun geloof, dan toch wel door hun Christen-zijn, waardoor ze geacht werden zich schuldig te maken aan de flagitia, die hen bij het volk gehaat maakten.

In het tweede testimonium, dat ons bewaard werd, is reeds sprake van een vervolging om des geloofs wil. C. Plinius Secundus de jongere, in ui stadhouder van Bithynië, richt zich tot keizer Traianus met een brief (X, 96), waarin hij uiteenzet, hoe hij handelt met hen, die bij hem als Christenen worden aangeklaagd, en op die handelwijze 's keizers goedkeuring vraagt, die hij dan ook in het antwoord van Traianus krijgt. Merkwaardig is Plinius' brief vooral ook hierdoor, dat we in de door den schrijver vermelde bekentenis der Christenen een teekening aantreffen van het Christelijke leven van dien tijd. „Adfirmabant autem," zegt de stadhouder, „hanc fuisse summam vel culpae suae vel erroris,

Sluiten