Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de norm vormden, waarnaar men inzake de Christenen handelde. Van een algemeene vervolging der Christenen kan men echter niet spreken: vaak hing het van de willekeur der stadhouders af, of ze tegen de Christenen wilden optreden of niet. Terecht richt daarom Tertullianus zijn apologie niet tot den keizer, maar tot de stadhouders. Onder keizer Marcus Aurelius (161—180) vindt in Lyon door toedoen van den stadhouder een Christenvervolging plaats, terwijl in andere deelen van het rijk rust heerschte. Het verbod van overgang tot het Christendom, dat Septimius Severus (x93—211) uitvaardigde, leidde ook tot partiëele vervolgingen; vooral in Africa stierven velen den marteldood.

Eerst onder keizer Decius (249—251) kwam het tot een algemeene vervolging. Hij eischte van alle inwoners des rijks een bewijs, dat ze den goden geofferd hadden: verscheidene van deze verklaringen, onderteekend door de ambtenaren, die het offer hadden zien verrichten, zijn over. Wie niet offeren wilde, kreeg bedenktijd; was die verstreken, dan werd men verbannen of ter dood gebracht; vluchtte men, dan werd het vermogen geconfiskeerd. De oprechtheid van veler geloof bleek tegen deze maatregelen niet bestand: talrijk waren de afvalligen. Maar talrijk ook de voorbeelden van standvastigheid, die door de grootste kwellingen en de vreeselijkste kerkerstraf niet aan het wankelen gebracht kon worden. Een voorbeeld daarvan vindt men vermeld in den in deze bloemlezing opgenomen brief van Cyprianus uit het jaar 250. De laatste groote vervolging vond plaats onder Diocletianus (284—3°5)- Keizerlijke edicten bevalen, dat de kerken verwoest en de boeken der Christenen verbrand moesten worden, dat de Christenen hun burgerrecht zouden verliezen en Christenslaven de vrijheid niet konden verkrijgen. Door de pijnbank moesten de Christenen tot afval gebracht worden, en eindelijk bepaalde een laatste edict, dat allen tot offeren aan de goden gedwongen moesten worden. Maar ten slotte moest men de poging om het Christendom te onderdrukken opgeven: het had zich tot een te groote macht ontwikkeld, waarmee ook staatkundig rekening gehouden diende te worden. Onder keizer Constantinus (306—324) verschijnt het edikt van de beide Augusti, dat aan alle burgers van het rijk volledige godsdienstvrijheid schonk (Milaan 313). Aldus vangt het aan: „Cum feliciter tam ego Con-

Sluiten