Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

systematische uiteenzetting van het Christendom in zijn Institutiones divinae. Ook de ontwikkelingsgang der kerk voert tot nieuwe genres: opkomende dwalingen en ketterijen eischen geschriften ter wederlegging; vrome behoefte vraagt om kerkgezangen en werkt zoo mede tot het vormen van een hymnenliteratuur. Het zijn niet allen groote geesten, die aan de Christelijke Latijnsche letterkunde het aanschijn schonken, maar temidden van veel middelmatigheden rijzen toch wel figuren van den eersten rang op en ternauwernood had de Romeinsche oudheid op meer indrukwekkende wijze kunnen worden afgesloten dan door wellicht met Plato het grootste genie der antieke wereld: Augustinus.

Wie kennis maakt met de Christelijke literatuur der oudheid voelt de vraag in zich rijzen, hoe het Christendom zich stelde tegenover de eeuwen oude heidensche cultuur. Ook de oude auteurs zelf hebben beseft dat, waar de wereld- en levensbeschouwing van het Christendom een zoo geheel andere was dan die van het heidendom, de vraag gewettigd was, in hoeverre zij in hun Christelijke ontwikkeling aan de wereldsche cultuur invloed mochten toestaan. Tertullianus schijnt de geheele wetenschap, dat is voor hem de heidensche wetenschap, terzijde te willen stellen. „Quid ergo," zoo zegt hij, „Athenis et Hierosolymis? quid academiae et ecclesiae? quid haereticis et ChristianisP Nobis curiositate opus non est post Christum Iesum, nee inquisitione post evangelium." „Wat hebben dan Athene en Jeruzalem met elkander te maken? Wat de academie en de kerk? Wat de ketters en de Christenen? Wij hebben geen speurlust noodig, nu Jezus Christus verschenen is, noch wetenschappelijk onderzoek, nu wij het evangelie hebben." (de praescript. haeret. 7). En elders: „Cedat curiositas fidei, cedat gloria saluti," „De speurlust make plaats voor het geloof, de roemzucht voor de zaligheid" (ib. 14). De scherpzinnige apologeet schijnt hier onbewust voorbij te zien, dat hij zonder de grondige studie van wat hij in den gloed des geloofs terzijde stelt, niet de juridisch haarfijn redeneerende verdediger van het Christendom geworden zou zijn, die hij was.

In het algemeen kan men zeggen, dat de Christelijke auteurs theoretisch gekant waren tegen de heidensche literatuur, maar dat ze er practisch niet buiten konden, en dan voor hun inconse-

Sluiten