Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quentie verontschuldiging zochten. Slechts weinigen houden vast aan hun verfoeiïng van heidensche werken. Zoo b.v. Lucifer van Calaris (ongev. 350), die niet alleen niets weten wil van wat heidensche geesten voortbrachten, maar zelfs prat gaat op zijn werkelijke of gewaande onbekendheid met de heidensche literatuur. Vooral in de poëzie bespeuren we den invloed der heidensche schrijvers, b.v. bij Iuvencus (ongev. 33°) en Prudentius. Het proza verraadt veel minder dien invloed, al is het er geenszins vrij van, ook niet bij mannen als Hieronymus en Augustinus. Hieronymus verontschuldigt zich over het citeeren van heidensche auteurs met het argument, dat ook andere Christelijke schrijvers, zelfs niemand minder dan de apostel Paulus, gebruik maakten van de profane literatuur. Augustinus schat den Manichaeër Faustus gering, omdat hij niet meer gelezen had dan eenige redevoeringen van Cicero, en iets van Seneca en de dichters. Later spreekt hij weliswaar steeds meer en meer geringschattend over de werken der heidenen, maar citeert hen niettemin tallooze malen. De practijk leerde hem, dat hij ze niet negeeren kon, en in de „doctrina Christiana" geeft hij dan ook als zijn meening te kennen, dat men de vrije kunsten moet beschouwen als het goud en het zilver, dat de heidenen aan Gods voorzienigheid danken en dat de Christenen, als eens Israël het vaatwerk uit Egypte, hun moeten ontnemen en in dienst stellen van het evangelie.

Bij het nagaan van de vraag, hoe de wetenschappelijk ontwikkelde Christenen uit de eerste vijf eeuwen tegenover de GriekschRomeinsche cultuur stonden, moeten we niet vergeten, dat zij niet als wij van haar door den tijd gescheiden waren, maar dat ze hun eigen cultuur was, en dat zij allen zonder onderscheid door de heidensche school gegaan waren. Wetenschappelijke ontwikkeling beteekende ontwikkeling door beoefening der rhetorica; alle vakken werden bestudeerd als onderdeelen der rhetorica en het was uitgesloten die anders te doceeren dan aan de hand der heidensche geschriften. Van een wetenschappelijke vorming zonder grondige kennis van Cicero en Vergilius was ten tijde van Augustinus geen sprake en hij zelf heeft ook na zijn bekeering nog met leerlingen Vergilius behandeld. Eeuwenlang heeft de school zich, ook in den Christelijken tijd, gehandhaafd zooals ze was, en eeuwenlang heeft

Sluiten