Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

qui nihil audire vel legere nisi expolitum ac disertum volunt, nee quicquam inhaerere animis eorum potest, nisi quod aures blandiori sono permulcet. illa vero, quae sordida videntur, anilia inepta vulgaria existimantur. adeo nihil verum putant, nisi quod auditu suave est, nihil credibile, nisi quod potest incutere voluptatem. nemo veritate rem ponderat, sed ornatu."

In theorie huldigden de Christelijke auteurs wel de meening, dat ze in eenvoudigen stijl moesten schrijven in navolging van het voorbeeld der Schrift, „ut rusticam contionem facilius instruerent et in una eademque sententia aliter doctus aliter audiret indoctus (Hieron. ep. 53, 9), in de practijk konden ze het niet doen. Zelfs wanneer ze spraken tot een rustica contio, zooals Augustinus in zijn stenografisch opgenomen preeken, lijkt ons de stijl verre van eenvoudig, veeleer gekunsteld door rijm en rhythme, door woordspeling en pointe. Daarbij moeten we echter bedenken, dat voor den antieken zuiderling, ook voor den man uit het volk, de stijl veel meer een essentiëel element van het gesproken of geschreven woord was dan voor ons, en dat hij, ook al was hij ongeletterd, een veel meer ontwikkeld gevoel voor taal en zinswending had dan de moderne noorderling. Zoo komt ons de brief van Cyprianus aan zijn gevangen geloofsgenooten, die in deze bloemlezing is opgenomen, te bloemrijk voor en maakt op ons een indruk van ietwat vooze oratorie, terwijl hij toch inderdaad door een warm hart ingegeven en ongetwijfeld met troost en dankbaarheid door

de adressaten gelezen is.

De stijl der verschillende schrijvers verschilt met hun aanleg, karakter en smaak. Het meest klassieke Latijn schreef ongetwijfeld Lactantius. Minucius Felix schrijft een levendige taal, dankbaar gebruik makend van de kunstmiddelen, die de rhetorica van zijn tijd hem bood, zonder echter in smakelooze overdrijving te vervallen. Tertullianus' Latijn gloeit als de Africaansche zon, onder wier stralen het geschreven werd. Deze gepassioneerde schrijver, deze „ardens vir", zooals Hieronymus hem noemt, gevoelt zich souverein meester over de taal; hij ontneemt aan het statige Latijn zijn gravitas, buigt en kneedt het naar zijn wil; hij drukt zijn rijke, soms spitsvondige gedachten uit in gedrongen, aan inhoud rijke en daarom moeilijk te begrijpen bewoordingen, bruisend als de

Sluiten