Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tisch heeft dit voorbehoud weinig waarde, wijl alle wijzigend ingrijpen zijnerzijds allicht wordt uitgelegd als verkorting van verleende rechten, als reageeren tegen het eenmaal geconcedeerde zelfbestemmingsrecht.

Anderzijds maakt juist het bovengenoemde voorbehoud het den volken, die binnen het kader van zulk een Charter tot zelfregeering en zelfbestuur worden opgevoed, voorshands onmogelijk, dit kader op eigen gezag te wijzigen; en zelfs, wanneer het recht tot wijziging van het Charter op den duur wordt toegekend, missen zulke nieuwe volken gewoonlijk nog de noodige politieke ervaring om het uiterst moeilijke werk van ingrijpende wijziging van een staatsvorm met goed gevolg te kunnen ondernemen.

Dit verklaart het onuitwischbare, vaak zelfs de meest radicale revoluties trotseerende karakter van sommige grondlijnen van het staatsrecht van een volk. De geschiedenis levert daarvan talrijke voorbeelden. Lang nog nadat de Romeinsche overheersching over West-Europa verdwenen was, zijn het de instellingen van het oude Rome geweest op welker grondslag zich de barbaarsche volksstammen van Gallië tot middeleeuwsche territoriaalstaten hebben kunnen ontwikkelen; omgekeerd was het juist de nawerking van het verkeerde regeeringssysteem der Spanjaarden, die nog lang nadat de Spaansche overheersching daadwerkelijk was, de politieke ontwikkeling van Latijnsch Amerika heeft belemmerd en geknot.

Niets heeft zich zoo vatbaar voor ontwikkeling getoond; niets zoo zeer in staat om, telkens gewijzigd, zich telkens aan te passen aan de behoeften van het zich ontwikkelende staatsleven als de ongeschreven Engelsche constitutie; niets daarentegen heeft meer bijgedragen tot den ondergang van de Republiek der 7 Provinciën, dan de oorspronkelijke en door geen latere pogingen weg te nemen fouten van de Unie van Utrecht.

Hieruit volgt, dat Nederland, als grondwetgever voor de Koloniën, eene verantwoordelijkheid draagt, die zijne verantwoordelijkheid voor de, niet ten onrechte vaak aan de Indische „specialiteiten" overgelaten, gewone koloniale wetgeving verre overtreft. En het is op dien grond dat voor deze Staatkundige hervormingen in breederen kring belangstelling mag

worden gevraagd.

Inderdaad behoort het Charter, waarmede wij lndie den weg tot politieke zelfstandigheid aanwijzen, in hoogere mate dan welke andere wet ook, het proefstuk te zijn eener Staatkundige wijsheid, die onze overheersching over deze vreemde

Sluiten