Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Archipel bestaande rijken — waarvan het grootste trouwens nog niet eens een geheel eiland omvatte — waren slechts tot stand gekomen door den wil van andere, uit Voor-Indië gekomen, indringers.

In zooverre Insulinde dan ook thans eene staatkundige eenheid vormt is het geheel en al eene schepping van Nederland. En indien er eenmaal een door innerlijk saamhoorigheidsbewustzijn gedragen Volk-van- Insulinde zal zijn, zal ook dit volk slechts de voedsterling van dat Indische Staatswezen, en in dien zin eveneens een schepping van Nederland zijn.

Dit historische feit nu : dat wij, Nederlanders, de overheerschers waren van Nederlandsch-Indië, en de Indische Volkeren de overheerschten, is de nuchtere grondslag, waarop wij alle politieke hervorming moeten opbouwen, willen wij geen gevaar loopen voor ernstige misslagen.

Het is niet zonder opzet, dat dit grondfeit, reeds bij den aanvang mijner beschouwingen, met zooveel nadruk en scherpte wordt voorop gesteld.

Er bestaat namelijk in de laatste jaren in sommige kringen, die zich voor Indië interesseeren, eene sterke tendenz om dit grondfeit, als actueel element onzer politiek, te verdonkeremanen.

Men schaamt zich eigenlijk over het feit, dat wij overheerschers zijn; zoo men het, voor wat het verleden betreft, al niet kan ontkennen, meent men' toch te moeten vooropstellen, dat onze tegenwoordige en toekomstige politiek van geheel andere praemissen zal moeten uitgaan.

Associafzepolitiek voor het heden, die dan in de toekomst moet uitloopen in volledige fusie.

Het zal den politiek onderlegden lezer gemakkelijk vallen, de geestelijke herkomst dezer denkbeelden te onderkennen. Gemakkelijk zal hij als grondidee het ideaal herkennen, dat het oerfeit der verscheidenheid van individuen en rassen, hetzij ontkent, hetzij misbillijkt, als iets dat de cultuur behoort te doen verdwijnen.

Het is de revolutionaire gelijkheidsgedachte op ethnologisch gebied toegepast, welker beteekenis men het best kan aanduiden door de opmerking, dat zij in wezen identiek is aan de neutraliteitsgedachte op religieus gebied.

Nu is de sentimenteele achtergrond van deze gedachte van hoogst respectabelen aard. Aan de bloot zakelijke erkenning van het grondfeit onzer verhouding tot Indië verbindt men min aangename herinneringen aan despotie en onderdrukking, aan onrechtmatige onthouding van grondrechten etc., — en wij zouden geen antirevolutionairen, geen volkspartij moeten

Sluiten