Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Koning oefende practisch meer het wetgevende, de Gouverneur-Generaal meer het uitvoerend gezag uit, alhoewel uit practische overwegingen den Gouverneur-Generaal in Rade in sommige gevallen vérstrekkende, wetgevende bevoegdheden waren voorbehouden.

In deze verhouding werd eene ingrijpende wijziging gebracht, doordat het Parlement, in overeenstemming met de beginselen der Grondwetsherziening van 1848, een aanzienlijk medezeggingschap in het wetgevend gezag over Indië opeischte, zonder dat de grenzen dezer medezeggingschap zeer juist omschreven werden.

Daar echter de hervorming van het Bestuur in constitutioneelen zin in Indië niet had plaats gevonden, werd nu een zeer ingewikkelde toestand geschapen; terwijl b.v. door de invoering der ministeriëele verantwoordelijkheid in NederJand het Kabinet des Konings zijne beteekenis verloor, nam het overeenkomstige Instituut in Indië, de Algemeene Secretarie, steeds in beteekenis toe.

Het gevolg hiervan was eene reeks tot op den huidigen dag bestaande onzekerheden in de verhouding tusschen Kroon, Minister en Gouverneur-Generaal, waaraan wij echter hier geen verdere aandacht behoeven te wijden, daar wij niet dit vraagstuk thans behandelen.

Het tweede punt betrof het karakter van ons Bestuur in Indië.

In het algemeen gesproken bleven het historisch karakter zoowel als de hoofdtrekken van de bestuursinrichting onveranderd.

Als alle autocratie, als alle regeering van-boven-af was het in wezen centralistisch.

Zooals oudtijds vanuit de kuHstfactorijen der Oost-Indische Compagnie het omliggende land onderworpen en beheerscht was geworden, werd nu, vanuit Batavia, volgens de beslissingen en instructiën vanuit Holland, de Indische wereld bestuurd.

Echter niet verder dan noodig was in verband met het oude doel van het koloniaal bezit: exploitatie! Derhalve beperkte het directe Bestuur zich tot die gedeelten van den Archipel, die voor de Nederlandsche cultures van economisch belang waren, benevens in latere jaren van die streken, waarvan het bezit voor de handhaving van onze machtspositie en tot wering van vreemde inmenging absoluut noodzakelijk was.

Van een pogen, om ook de rest der buitenbezittingen onder direct beheer te brengen kon geen sprake zijn, daar zulk een politiek slechts had kunnen verklaard worden uit

Sluiten