Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en hulpe in dit roepen opgezonden; eindelijk naar den vasten beweeggrond, waarop dit roepen pleit en verwacht te worden gehoord.

Op aangrijpende wijze schildert de dichter van dezen psalm den nood waarin het volk des Heeren in zijne dagen verkeert. Zijne schildering is een hartroerende weeklacht geklaagd voor de ooren van Israëls God. Heidenen zijn gekomen, verachters van den waren Koning van hemel en aarde, en zij zijn ingedrongen in Jehovah's ervq. Zij hebben zich aan 's Heeren heiligen tempel vergrepen ; zij hebben hem verontreinigd en verwoest. De puinhoopen van Jeruzalem, de heilige stad, de plaats der woningen des Eeuwigen, zij spreken in aandoenlijke taal van het woeden der erfvijanden van Israël. Niet tevreden met den moord der heiligen, gaven zij hunne doode lichamen tot spijs aan het gevogelte des hemels, en het vleesch van 's Heeren gunstgenooten aan het gedierte des velds. Als water hebben zij het bloed der kinderen Israëls rondom Jeruzalem uitgegoten; zelfs werd de gewone eer den dooden ontzegd.

Ja zoo diep is Gods volk vernederd, dat het een schimp en eene smaadheid is geworden den natiën die rondom wonen. De vijand kan hun honend de lip toesteken en spottend vragen: waar, waar is nu hunlieder God; en zwijgend buigt Juda's overblijfsel het beschaamde hoofd in het stof.

Jacob is opgegeten en zijne liefelijke woningen zijn verwoest.

Ja, zegt de dichter, wij zijn zeer dun geworden.

Geen wonder, dat ook de profeet der vernedering van Juda, Jeremia een klaaglied zingt bij Sion's puinhoopen : hoe zit die stad zoo eenzaam, die vol volks was! Zij is als eene weduwe geworden ; zij, die groot was onder de heidenen, eene

Sluiten