Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de erkentenis dat er bij het volk, van alle uiterlijke kracht ontbloot, geen kracht om zichzelf op te heffen uit zijn diepen val, wordt gevonden.

Zoo staan altijd de ware bidders voor den hoogen God. Als dan ook later het overblijfsel naar Juda's landpalen wederkeert om uit de puinhoopen stad en tempel te doen herrijzen, dan gaat het pleiten op dezelfde wijze uit tot God; de hoop is alleen dat God uit den hemel het wel doet gelukken. De Apostelen in hun strijd, de Reformatoren van later, zij staan en zij strijden in het besef van eigen onmacht. Wat zou een Zerubbabel en een Jozua, een Nehemia en een Ezra met een volk vol zonden en zonder hulpmiddelen, omringd door vele en machtige vijanden, vermogen als het moest door kracht en geweld. Wat zou een Paulus kunnen in zijn smaadheid, vervolging, benauwdheid en nood, m zijne vele zwakheden tegenover het wijze Athene en het machtige Rome. Wat moest een Calvijn en een Lutlier, wat die weinige en zwakke kerken tegen het grootsche geweldige Babel van hun tijd. Neen, in den strijd steune men niet op eigen kracht. Immers zelfs een iegelijk geloovige roept tot zijn God in de worstelingen zijner ziele : wat wordt er van ons in dien staat — o Vader zoo gij ons verlaat!

En ook is nergens elders hulpe besteld, dan bij den lleere alleen. Het volk van des dichters tijd is genezen van zijn uitzien en wachten beurtelings op de volken die het omringen.

Zijn boelen hebben het bedrogen, zijne vrienden hebben het verlaten, zoo klaagt Jeremia op Sions's puinhoopen. Allen zijn in vijanden verkeerd. Als het straks bouwen gaat, dan liebbe het in de eene hand den troffel, maar in de andere hand het zwaard ! Zelf heeft het geen kracht, de vijanden zijn machtig en veel.

Sluiten