Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geslagen naar boven en het weemoedvolle hart moet gestaald voor den strijd, en de hand gesterkt ten oorloge. Zoo ook nu ! Onze smart mag ons niet doen vergeten het pleitend gebed om hulp, maar heeft juist uit te drijven tot de smeeking die niet ophoudt tot God heeft gehoord van uit de aanspraakplaats zijner heiligheid, en tot redding is opgestaan ook van het overblijfsel dat anders sterven zou.

Zelfs dringt de dichter zijn bede aan met het: haast u I welke gedachte ook in het „voorkomen" der barmhartigheden schuilt. De toestand van 's Heeren erve is zoo droef, dat alleen haastige hulpe Gods baten kan. Dfarom roept hij uit: toef toch niet om op te staan tot onze hulpe, o God onzes heils. Het is naar het lied :

Rijs op o God, rijs op, toon uw gezag;

Betwist uw zaak, wees onze pleitbeslechter;

't Is meer dan tijd, gedenk o hoogste Rechter, Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag.

En wetend wat de oorzaak van al de ellende is, die over zijn volk kwam, vraagt hij aan het begin en aan het slot van dit zijn roepen : gedenk de vorige misdaden niet en doe verzoening over onze zonden. Die vorige misdaden hebben de kastijdingen Gods, het uitgieten der oordeelen verdiend.

Maar als hij nu belijdenis doet van die schuld der vaderen, die het rechtvaardig oordeel Gods over Israël bracht, mag hij toch ook tegelijkertijd een beroep doen op de schuldvergevende liefde des Heeren. Hij pleit toch in naam van een volk dat zich van de zonde der vaderen heeft bekeerd. Het heeft leeren inzien van wat schuldigen aard al die afwijkingen waren — de boeleeringen met vreemde goden en

2*

Sluiten