Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heidensche machten heeft het beweend. Het wil op den Heere alleen hopen — en dan immers weet het ook uit het verleden met zijne rijke historische herinneringen, die spreken van Gods schuldvergevende liefde, dat, wanneer het volk van zijne doolpaden weerkeerde tot den Heere, Gods toorn ophoudt te rooken. Als zijne kastijdingen hebben uitgewerkt boete en berouw, dat zich in bekeering tot Hem openbaarde, wendde God zijn hand. En ziet dat is geschied. Daarom roept nu de dichter tot den Heere. Er is een overblijfsel naar de verkiezing van Gods genade. En dat mag smeeken om verzoening van de zware schuld!

Is het niet een kostelijke bede, die uit het fel geprangd gemoed oprijst voor des Heeren aangezicht? Een bede geboren uit de weemoedvolle klacht over Sion's vernedering, belijdende de schuld die het oordeel verdiende, uitziende naar de vensteren des hemels, roepende tot God almachtig, barmhartig en genadig, groot van goedertierenheid en eeuwig van liefde, dat Hij vergeve, dat Hij redde, dat Hij helpe in nood.

Zoo rijst de bede van Gods volk steeds in den strijd, zoo ook nu tot 's Heeren troon.

En het is eene bede M. H. die met vrijmoedigheid mag worden opgezonden. Immers zegt de dichter: doe dat al o Heere God, ter oorzake van de eere uws naams. De eer van Gods naam was in het geding. Het ging dus niet maar om Israël's wel of wee, maar het ging om de eere Gods, die het einddoel aller dingen is. De overwinning der wereld is toch niet het doel der daden des Heeren, en zoo duldt niet de eere van zijnen heiligen Naam, dat de wereld, van wie Hij zich bediende om zijn volk te kastij-

Sluiten