Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(naar uwe belofte) in de tafelen onzer harten, en geef ons lust en kracht daarin te wandelen, tot prijs en eere uws naams en tot stichting uwer gemeente.

Dit alles, o genadige Vader, bidden en begeeren wij in den naam van Jezus Christus, die ons alzoo heeft leeren bidden:

Onze Vader, die in de hemelen zijt;

Uw naam worde geheiligd.

Uw koninkrijk kome.

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijksch brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

Een gebed voor allen nood der Christenheid, om gebruikt te worden op den rustdag na de eerste Predikatie.

Almachtige, barmhartige God, wij bekennen bij onszelven, en belijden voor U, gelijk het de waarheid is, dat wij niet waardig zijn onze oogen op te slaan ten hemel, en ons gebed voor U te brengen, indien Gij aanzien wilt onze verdiensten en waardigheid. Want onze consciëntiën beschuldigen ons, en onze zonden geven getuigenis tegen ons. Wij weten ook, dat Gij een rechtvaardig Rechter zijt, straffende de zonden dergenen, die uwe geboden overtreden. Maar, o Heere, naardien Gij ons bevolen hebt, U in allen nood aan te roepen, en uit uwe onuitsprekelijke barmhartigheid beloofd hebt, onze gebeden te verhooren, niet vanwege onze verdiensten, die geene zijn, maar om de verdienste van onzen Heere Jezus Christus, welken Gij ons tot eenen Middelaar en Voorspreker voorgesteld hebt; zoo verzaken wij alle andere hulpe, en hebben onze toevlucht alleen tot uwe barmhartigheid.

Eerstelijk *), o Heere, wij belijden dat Gij ons zoo vele weldaden bewezen hebt,

1) Het begin van deze alinea luidt in de thans gangbare redactie eenigszins anders dan in den hierboven afgedrukten officieelen tekst. In bijna alle uitgaven van de Liturgie is reeds sedert meer dan 2'/, eeuw de tekst der 16e eeuw hier nagedrukt, zoodat de eerste volzin aldus gelezen wordt:

„Eerstelijk, o Heere, benevens de ontelbare weldaden, die Gij in het gemeen aan alle mensohen op aarde bewijst, hebt Gij ons inzonderheid zooveel genade bewezen, dat het ons onmogelijk is, die te bedenken of uit te spreken: namelijk, dat Gij ons verlost hebt uit den jammerlijken dienst des duivels en aller afgoderij, waarin wij gevangen lagen, en ons gevoerd hebt tot het licht uwer waarheid, en tot de kennis van uw heilig Evangelie. Daarentegen hebben wij", enz

dat het ons onmogelijk is die te bedenken, veel minder uit te spreken; en inzonderheid dat Gij ons gevoerd hebt tot het licht uwer waarheid, en tot de kennis van uw heilig Evangelie. Daarentegen hebben wij door onze ondankbaarheid uwe weldaden vergeten; wij zijn van U afgeweken, en hebben onze eigene begeerlijkheden gevolgd, U niet eerende, gelijk wij schuldig waren. Dies x) hebben wij grootelijks gezondigd, en zoo Gij met ons in het gericht wildet treden, wij zouden niet anders hebben te verwachten dan den eeuwigen dood

1) Van hier af, tot het einde der alinea, is de thans gangbare redactie veel uitvoeriger dan de hierboven afgedrukte officieele tekst In bijna alle uitgaven van de Liturgie is reeds sedert meer dan 2'/, eeuw de tekst der 16e eeuw hier nagedrukt, zoodat deze drie volzinnen vervangen zijn door het volgende'

„Dies hebben wij gruwelijk gezondigd, o Heere. en TJ grootelijks vertoornd, zoodat wij, zoo Gij met ons wildet handelen naar dat wij verdiend hebben, niet anders zouden hebben te verwachten, dan den eeuwigen dood en verdoemenis. Ja wij merken ook, o Heere, in de kastijdingen, die Gij ons dagelijks toeschikt, dat Gij U terecht over ons vertoornt. Want aangezien Gij rechtvaardig zijt, zoo straft Gij niemand zonder oorzaak; en wij zien ook nog uwe hand opgeheven, om ons nog meer te straffen. Maar al ware het, dat Gij ons nog veel harder straftet, dan Gij tot nog toe gedaan hebt, ja al vielen alle de plagen over ons. waarmede Gij de zonden van uw volk Israël bezocht hebt; zoo zouden wij nochtaias moeten bekennen, .dat Gij ons geen onrecht doen zoudt.

„Maar o Heere, Gij zijt onze God, en wij zijn maar aarde en stof; Gij zijt onze Schepper, en wij zijn het werk uwer handen; Gij zijt onze Herder, en wij zijn uwe schapen, Gij zijt onze Verlosser, en wij zijn degenen, die Gij verlost hebt, Gij zijt onze Vader, en wij zijn uwe kinderen en erfgenamen. Daarom, straf ons toch niet in uwen toorn, maar kastijd ons genadiglijk. En onderhoud veel meer het werk, dat Gij in ons door uwe barmhartigheid begonnen hebt, opdat de gansche wereld wete en bekenne, dat Gij onze God en Zaligmaker zijt. Uw volk Israël heeft U menigmaal vertoornd, en Gij hebt ze terecht gestraft: maar zoo dikwijls zij zich weder tot U bekeerden, hebt Gij ze altijd in genade aangenomen. En hoe zwaar ook hunne zonden en misdaden waren, zoo hebt Gij nochtans die plagen, die hun toebereid waren, afgewend vanwege het verbond, hetwelk Gij gemaakt hebt met uwe dienaren, Abraham, Izak en Jakob', en hebt alzoo het gebed uws volks nooit van U verstooten. Nu hebben wij, door uwe genade, even datzelfde verbond, hetwelk Gij in de hand van Jezus Christus, onzen Middelaar, tusschen U en alle geloovigen hebt opgericht; ja het is nu zooveel heerlijker en krachtiger, nadat Christus, met zijn heilig lijden en sterven, en ingang in zijne heerlijkheid, het bevestigd en vervuld heeft. Daarom, o Heere, verzakende onszelven, en alle menschelijke hulpe, hebben wij onze toevlucht alleen tot het zalige genadeverbond, door hetwelk onze Heere Jezus Christus (tot eene volkomene offerande zijn lichaam éénmaal aan het kruis voor ons overgevende) ons met U in eeuwigheid verzoend heeft. Daarom, o Heere, aanschouw het aangezichte uws Gezalfden, en niet, onze zonden, opdat uw toorn doorzijn voorbidden gestild worde, en dat uw aanschijn over ons lichte tot onze vreugde en zaligheid.

„Wil ons ook voortaan in uw heilig geleide en bescherming aannemen, en ons regeerer. met uwen Heiligen Geest, die dagelijks meer en meer ons vleesch met alle zijne wellusten doodende, ons vernieuwe tot een beter leven, en in ons voortbrenge waarachtige vruchten des geloofs, waardoor uw naam in eeuwigheid geloofd en geprezen worde, en wij met vurige begeerte, alle vergankelijke dingen verachtende, alleen de hemelj sche mogen bedenken.

1 „En overmits het U behaagt", enz.

Sluiten