Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij een eeuwig verbond met God hebben.

En hoewel de kinderen der Christenen, niettegenstaande zij deze dingen niet verstaan, uit kracht des Yerbonds moeten gedoopt worden, zoo is het nochtans niet geoorloofd de volwassenen*) te doopen, tenzij die tevoren, hunne zonden gevoelende, belijdenis doen van hunne boetvaardigheid en van hun geloof in Christus. Want om deze oorzaak heeft niet alleen Johannes de Dooper, predikende naar het gebod Gods den Doop der bekeering 2), tot vergeving der zonden, diegenen, die hunne jzonden beleden, gedoopt (Mare. 1: 4,5, en Luc. III. 3), maar heeft ook onze Heere Jezus Christus zijnen Apostelen bevolen, alle volkeren te onderwijzen, en hen te doopen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes (Matth. XXVIII: 19). deze belofte daarbij voegende, dat die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden (Mare. XVI: 16); gelijk ook de Apostelen (zooals blijkt uit de Handelingen der Apostelen Kap. II: 38, en VIII: 36, 37, en X : 47, 48, en XVI: 14, 15, 31, 32, 33), volgens dezen regel, geene andere volwassenen gedoopt hebben, dan die belijdenis deden van hun boetvaardigheid en geloof. Daarom is het ook heden ten dage niet geoorloofd eenige andere volwassenen te doopen, dan die de verborgenheden des Heiligen Doops uit de prediking van het Heilig Evangelie geleerd hebben en verstaan, en daarvan, mitsgaders van hun geloof, door belijdenis des monds weten rekenschap te geven.

Opdat wij dan deze heilige ordening Gods, tot zijne eere, tot onzen troost, en tot stichting der gemeente uitrichten mogen, zoo laat ons zijnen heiligen naam aldus aanroepen:

O almachtige, eeuwige God; Gij die naar uw streng oordeel de ongeloovige en onboetvaardige wereld met den zondvloed gestraft hebt, en den geloovigen Noach zijne acht zielen uit uwe groote barmhartigheid behouden en bewaard ; Gij die den verstokten Pharaö met al zijn volk in de Roode Zee verdronken hebt, en uw volk Israël droog¬

1) In den grondtekst staat hier eigenlijk niet de volwassenen (hetgeen in het Lat. adulti zijn zou), maar: de meer opgewassenen. de ouderen, de grooteren (Lat. adultiores).

2) In den grondtekst staat hier hetzelfde woord (poenitentia), dat in deze zelfde alinea, een weinig vroeger en een weinig later, terecht door boetvaardigheid (in de uitgaven der J7e en 18e eeuw doorgaans boete) vertaald is. Te dezer plaatse echter moet (op voorgang van sommige uitgaven der 17e eeuw) het woord bekeering gebruikt

worden, daar dit ook geschiedt in het hier aangehaalde Schriftwoord.

voets daardoor geleid, door hetwelk de Doop beduid werd ; wij bidden U, bij uwe grondelooze barmhartigheid, dat Gij dezen persoon x) genadiglijk wilt aanzien, en door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus Christus inlijven; opdat hij met Hem in zijnen dood begraven worde, en met Hem moge opstaan in een nieuw leven; opdat hij zijn kruis, Hem dagelijks navolgende, vroolijk dragen moge, hem aanhangende met waarachtig geloof, vaste hope en vurige liefde; opdat hij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwille getroost, verlate, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uwen Zoon, zonder verschrikken moge verschijnen, door Hem, onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon, die met U en den Heiligen Geest, één eenig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Amen.

Aanspraak tot den volwassene, die geaoopi. -ml

worden.

Aangezien gij N dan ook begeert met het Heilig Doopsel gedoopt te worden, ten einde het u zij een zegel uwer inlijving in de Kerke Gods, opdat blijke, dat gij niet alleen de Christelijke religie aanneemt, waarin gij privatelijk door ons zijt onderwezen, en waarvan gij voor ons belijdenis gedaan hebt. maar ook uw leven daarnaar, door Gods genade, wilt aanstellen; zoo zult gij voor God en zijne gemeente hierop ongeveinsdelijk antwoorden:

Ten eerste: of gij gelooft in den eenigen waarachtigen God, onderscheiden in drie personen, Vader, Zoon en Heiligen Geest, die hemel en aarde, en alles wat daarin is, uit niet geschapen heeft, en nog onderhoudt en regeert, alzoo dat er niets geschiedt, noch in den hemel, noch op de aarde, zonder zijnen Goddelijken wil?

Antwoord: Ja a).

Ten tweede: of gij gelooft, dat gij in zonden ontvangen en geboren zijt, en daarom een kind des toorns zijt, van nature 3) ten goede gansch onbekwaam en geneigd tot alle kwaad; en dat gij met gedachten,

1) In den officieelen tekst staat hier op den kant aangeteekend: of personen; en evenzoo hebben de volgende enkelvoudige voornaamwoorden driemaal de kantteekening: of zij.

2) Bij dit Formulier is in alle uitgaven achter iedere vraag blijven staan: Antwoord: Ja; ofschoon in de practijk, ook hier, evenals bij den Doop der kinderen, doorgaans alle vragen tegelijk aan het einde beantwoord worden.

3) In bijna alle Holl. uitgaven zijn de woorden: van nature, bij het voorgaande gevoegd (een kind des toorns van nature, ten goedje enz.). Geheel ten onrechte; zooals duidelijk blijkt uit den officieelen (Latijnschen) tekst (filium esse irae, naturd tud ad bonum, enz.).

Sluiten