Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tus alleen voor zijne geloovigen verordineerd heeft) onthouden, opdat hun gericht en verdoemenis niet des te zwaarder worde.

Maar dit wordt ons, geliefde Broeders en Zusters, niet voorgehouden, om de verslagene harten der geloovigen kleinmoedig te maken, alsof niemand tot het Avondmaal des Heeren gaan mocht, dan die zonder eenige zonde ware. Want wij komen niet tot dit Avondmaal, om daarmede te betuigen, dat wij in onszelven volkomen en rechtvaardig zijn; maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelven in Jezus Christus zoeken, zoo bekennen wij daarmede, dat wij midden in den dood liggen. Daarom, al is het dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk: dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulken ijver om God te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid onzes geloofs, en de booze lusten onzes vleesches te strijden hebben; nochtans, desniettegenstaande, overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn, en wij begeeren tegen ons ongeloof te strijden, en naar alle geboden Gods te leven; zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geene zonde noch zwakheid, die nog (tegen onzen wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat ons God niet in genade zoude aannemen, en alzoo dezer hemelsche spijze en drank waardig en deelachtig maken.

• Ten andere, laat ons nu ook overdenken, ^vaartoe ons de Heere zijn Avondmaal heeft ingezet: namelijk, dat wij zulks doen zouden tot zijne gedachtenis. Maar aldus zullen wij Zijner daarbij gedenken:

Eerstelijk, dat wij ganschelijk in onze harten vertrouwen, dat onze Heere Jezus Christus (naar luid van de beloften, die den voorvaderen in het oude Testament van den beginne af geschied zijn) van den. Vader in deze wereld gezonden is, ons vleesch en bloed heeft aangenomen, den toorn Gods (onder welken wij eeuwiglijk hadden moeten verzinken) van het begin zijner menschwording tot het einde zijns levens op aarde voor ons heeft gedragen, en alle gehoorzaamheid en gerechtigheid der Goddelijke wet voor ons heeft vervuld; voornamelijk, toen Hem de last van onze zonden, en van den toorn Gods, het bloedige zweet in den Hof uitgedrukt heeft; waar Hij gebonden werd, opdat Hij ons zoude ontbinden; daarna ontalIijkesmaadheden geleden heeft, opdat wij nimmermeer te schande zouden worden; onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het

gerichte Gods zouden vrijgesproken worden; ja zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat Hij het handschrift onzer zonden daaraan zoude hechten; en heeft alzoo de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met zijne zegening vervullen zoude; en heeft Zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der helle, met lichaam en ziele, aan het hout des kruises, toen Hij nep met luider stemme: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten"? opdat wij tot God zouden genomen, en nimmermeer van Hem verlaten worden; en heeft eindelijk met zijnen dood en bloedstorting het nieuwe en eeuwige Testament, het verbond der genade en der verzoening, besloten, toen Hij zeide: Het is volbracht.

En opdat wij vastelijk zouden gelooven, dat wij tot dit genadeverbond behooren, nam de Heere Jezus in zijn laatste Avondmaal het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij he', en gaf het zijnen discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam, hetwelk v"or u gegeven wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks, na het A vondmaal, nam Hij den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit; deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn b'oed, 'hetwelk voor u en en voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden; doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis; dat is: zoo dikwijls als gij van dit brood eet, en van dezen beker drinkt, zult gij daardoor, als door eene gewisse gedachtenis en pand, vermaand en verzekerd worden van deze mijne hartelijke liefde en trouw jegens u, dat Ik voor u (daar gij anders den eeuwigen dood hadt moeten sterven) mijn lichaam aan het hout des kruises in den dood geve, en mijn blued vergiete, en uwe hongerige en dorstige zielen met dit mijn gekruisigde lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven spijze en lave, even zekerlijk, als eenen iegelijk dit brood voor zijne oogen gebroken, en deze beker hem gegeven wordt, en gij die tot mijne gedachtenis met uwen mond eet en drinkt.

Uit deze inzetting des Heiligen Avondmaals van onzen Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons geloof en betrouwen op zijne volkomene offerande (die eenmaal aan het kruis geschied is) als op den eenigen grond en fondament onzer zaligheid wijst, waar Hij onzen hongerigen en dorst igen zielen tot eene waarachtige spijze en drank des eeuwigen levens geworden is. Want door zijnen dood heeft Hij de

Sluiten