Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

levende, onze kroon en blijdschap moogt wezen in den Heere.

Doch aangezien het God is, die in ons werkt, beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen, zoo laat ons zijnen heiligen naam, met belijdenis onzer zonden, aldus aanroepen:

O rechtvaardige God, barmhartige Vader, wij klagen onszelven aan vanwege onze zonden voor uwe hooge majesteit, en bekennen wel verdiend te hebben de droefheid en smart, die ons is aangedaan in de afsnijding van dezen onzen gewezen'medelidmaat, ja wij zijn allen waardig, om van U afgesneden en verbannen te worden, om onzer groote overtreding wille, zoo Gij met ons in het gericht wilt treden. Maar, o Heere, wees ons genadig om Christus wille, vergeef ons onze misdaden, want zij zijn ons van harte leed, en werk in onze harten hoe langer hoe meer leedwezen daarover, opdat wij, uwe oordeelen vreezende, die Gij laat gaan over de hardnekkigen, ons mogen benaarstigen, om U te behagen. Geef, dat wij ons wachten voor alle besmetting der wereld, en dergenen, 3ie van de gemeenschap der Kerk zijn afgesneden; opdat wij ons hunner zonden niet deelachtig maken, en dat de afgesnedene beschaamd worde over zijne zonden. En aangezien Gij geenen lust hebt in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve; en de schoot uwer Kerk altijd open staat voor degenen die wederkeeren; zoo ontsteek ons toch met eenen goeden ijver, dat wij met goede Christelijke vermaningen en voorbeelden zoeken wederom te recht te brengen dezen afgesneden persoon, mitsgaders alle degenen, die door ongeloof of roekeloosheid des levens afwijken. Geef uwen zegen tot onze vermaningen, ten einde wij daardoor oorzaak mogen hebben, ons weder te verblijden in degenen, waarover wij nu rouwe moeten dragen, en dat alzoo uw heilige naam geprezen worde, door onzen Heere Jezus Christus, die ons aldus heeft leeren bidden .

Onze Vader, die in de hemelen zijt,

Uw naam worde geheiligd.

Uw koninkrijk kome.

Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.

Geef ons heden ons dagelijksch brood.

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

Formulier van wederopneming' des afgesnedenen in de Gemeente van Christus.

Geliefden in den Heere, ulieden is bekend, dat eenen zekeren tijd geleden, onze medelidmaat N. van de Gemeente van Christus afgesneden is geweest. Nu kunnen wij u niet verbergen, hoe hij door de voornoemde remedie, mitsgaders door het middel van goede vermaningen, en uwe Christelijke gebeden, zoo verre is gekomen, dat hij zich over zijne zonde schaamt, begeerende van ons, tot de gemeenschap der Kerk weder opgenomen te worden. Alzoo wij dan van wege het bevel Gods schuldig zijn, de zoodanigen met blijdschap te ontvangen, en het toch noodig is dat goede orde daarin gebruikt worde; zoo geven wij u mits dezen te verstaan, dat wij den voorschreven afgesneden persoon ter naaste reize, door Gods genade, wanneer men des Heeren Avondmaal zal houden, van den band der afsnijding wederom ontbinden, en tot de gemeenschap der Kerk ontvangen zullen, ten ware iemand van u middelerwijl iets wettigs had, waarom zulks niet zoude behooren te geschieden, hetwelk; gijlieden ons intijds aanzeggen zult. Intusschen zal een iegelijk den Heere danken voor de weldaad, aan dezen ai men zondaar bewezen, Hem biddende, dat Hij zijn werk aan hem wille uitvoeren tot zijne eeuwige zaligheid. Amen.

WG~ Daarna, indien geene verhindering voorkomt, zal de Dienaar des Woords tot wederopneming van den afgesnedenen zondaar voortgaan op de navolgende wijze:

Geliefde Christenen, wij hebben u laatstmaal voorgehouden van de bekeering van onzen medebroeder (of, van onze medezuster) N., om met uw voorweten wederom tot de Gemeente van Christus opgenomen te worden. Alzoo dan niemand iets voorgebracht heeft, waarom de voorzeide wederopneming niet zoude behooren te geschieden. zoo willen wij nu tegenwoordiglijk daartoe voortvaren.

De Heere Christus, Matth. XVII] bevestigd hebbende het vonnis zijner Kerk in de afsnijding der onboetvaardige zondaren, verklaart terstond daarbij, dat al wat zijne Dienaars ontbinden zouden op de aarde, ontbonden zoude zijn in den hemel. Waarmede Hij te kennen geeft, dat, wanneer iemand van zijne Kerk afgesneden is, hem alsdan alle hope der zaligheid niet ontnomen is, maar dat hij van de banden der verdoemenis weder ontslagen kan worden. Daarom, aangezien God in zijn Woord ver-

Sluiten